Schuldgevoel als 2e huid

Gepubliceerd op 12 januari 2026 om 21:00

"Ik wist niet wanneer het precies begon."

Niet de eerste keer dat ik gebruikte - die kan ik aanwijzen als een speld op een landkaart - maar het moment waarop schuldgevoel zich aan mij vastzette, als een tweede huid. Dat weet ik niet precies. Niet zichtbaar voor anderen, maar altijd aanwezig, strak en warm, soms verstikkend. Je trekt het 's ochtends niet aan je; je wordt erin wakker, het zit er al.

 

In het begin voelde alles nog als een keuze. Ik was jong genoeg om te denken dat controle iets was wat je simpelweg had, zoals een rijbewijs of een diploma. Iets wat je kon halen en daarna nooit meer kwijtraakte. Ik gebruikte omdat het leven te scherp voelde, te luid. Omdat mijn hoofd nooit stil was en mijn hart altijd net iets te hard klopte. De eerste roes was geen ontsnapping, het was thuiskomen. Alsof iemand het licht dimde in een kamer waar ik al jaren met samengeknepen ogen rondliep

 

De schuld kwam later. Eerst zacht, fluisterend. Een lichte schaamte, een korte gedachte aan morgen. Ik wuifde haar weg. Iedereen deed toch dingen waar ze later spijt van hadden? Dit was niets anders. Ik werkte, lachte, hield relaties in stand. Aan de buitenkant was ik functioneel, soms zelfs succesvol. Aan de binnenkant begon iets te knagen.

 

Schuldgevoel heeft vele stemmen. Soms klinkt het als mijn moeder, bezorgd maar streng. Soms als een oude vriend die ik teleurstelde. Vaak als mijn eigen stem, genadeloos precies. Waarom kun je niet gewoon stoppen? Waarom ben jij zo? Die vragen kwamen niet in zinnen maar in sensaties: een steen in mijn maag, een brandend gevoel achter mijn borstbeen. Ik leerde ermee leven zoals je leert leven met chronische pijn: door het te negeren tot het niet meer gaat.

 

k begon te liegen. Kleine leugens eerst. Over waarom ik te laat was. Waarom ik afspraken afzegde. Waarom ik er vermoeid uitzag. Leugens zijn handig; ze geven je tijd. Maar elke leugen is ook een naad in die tweede huid. En hoe meer naden, hoe strakker ze ging zitten. Ik merkte dat ik mezelf niet meer recht aankeek in de spiegel. Niet uit ijdelheid, maar uit angst dat ik iets zou zien wat ik niet meer kon ontkennen.

 

Er waren momenten van helderheid. Ochtenden waarop het licht genadeloos was en de stilte oorverdovend. Dan lag ik wakker en dacht: dit moet anders. Ik maakte plannen. Ik schreef lijstjes. Ik beloofde mezelf dat dit de laatste keer was. Die beloftes waren oprecht. Dat is misschien het pijnlijkste: ik loog niet alleen tegen anderen, ik loog ook tegen mezelf met volledige overtuiging.

 

Verslaving is geen voortdurende chaos. Het is routine. Het is boodschappen doen, werken, eten, slapen — en ergens daartussen het onvermijdelijke. Het past zich aan je leven aan, niet andersom. Ik werd een expert in het balanceren. Net genoeg gebruiken om te functioneren. Net genoeg schuld om te weten dat ik fout zat, maar niet genoeg om te stoppen.

 

De mensen om mij heen zagen flarden. Een kort lontje. Afwezigheid. Een blik die soms net te ver weg was. Sommigen vroegen door, anderen keken weg. Ik nam het niemand kwalijk. Ik was zelf ook meester in wegkijken. Schuldgevoel maakte me scherp, maar ook eenzaam. Want hoe leg je uit dat je tegelijk wílt stoppen en niet kán? Dat verlangen en onvermogen in één lichaam kunnen wonen zonder elkaar op te lossen?

 

Er kwam een punt waarop de tweede huid begon te schuren. Waar ze te klein werd voor mijn leven. Ik raakte dingen kwijt: vertrouwen, tijd, geld. Relaties kregen barsten. Niet omdat mensen me lieten vallen, maar omdat ik steeds minder aanwezig was. Ik was er fysiek, maar emotioneel achter glas. Alsof ik alles door een raam beleefde dat ik zelf steeds vuiler maakte.

 

Ik herinner me een specifieke avond. Niets bijzonders, en misschien daarom zo scherp. Ik zat alleen aan de keukentafel. Het huis was stil. Mijn telefoon lag naast me, scherm naar beneden. Ik wist dat er berichten waren die ik niet had beantwoord. Dat er mensen waren die ik ontweek. Ik voelde de schuld als een gewicht op mijn schouders. Niet dramatisch, niet explosief. Gewoon zwaar. Ik dacht: als iemand nu binnenkomt, zien ze niets. Maar ik draag alles.

 

Dat was het moment waarop ik begreep dat schuldgevoel niet alleen een gevolg was van mijn gebruik, maar ook een brandstof. Het hield de cirkel in stand. Ik gebruikte om het schuldgevoel te verdoven, en voelde me daarna schuldig omdat ik had gebruikt. Een perfecte machine, soepel draaiend, niemand die op de noodknop drukte.

 

Hulp zoeken voelde als falen. Alsof ik daarmee zou toegeven dat ik echt zo zwak was als ik diep vanbinnen al dacht. Ik had een beeld van verslaafden dat niet bij mij paste: dakloos, alles kwijt, zichtbaar kapot. Ik werkte toch nog? Ik zorgde toch nog? Dat ik elke dag vocht tegen mezelf, telde niet als bewijs. Schuldgevoel fluisterde: je overdrijft. Je stelt je aan.

 

Toch kwam ik ergens terecht waar de façade niet telde. Waar niemand onder de indruk was van hoe goed ik alles bij elkaar hield. Daar leerde ik woorden geven aan dingen die ik alleen als knopen voelde. Ik hoorde mijn eigen verhaal in de stemmen van anderen. Andere middelen, andere levens, maar dezelfde schaamte. Dezelfde tweede huid.

 

Langzaam leerde ik onderscheid maken. Tussen verantwoordelijkheid en schuld. Verantwoordelijkheid zegt: dit is gebeurd, en dit is wat je nu kunt doen. Schuld zegt: dit is gebeurd, en jij bent slecht. Dat verschil voelde eerst theoretisch, als iets uit een boek. Maar met tijd werd het tastbaar. Ik kon fouten erkennen zonder mezelf volledig af te schrijven.

 

Er waren gesprekken die pijn deden en tegelijk helend waren. Excuses die niet alles repareerden, maar wel ruimte maakten. Momenten waarop ik merkte dat mensen niet alleen mijn verslaving zagen, maar ook mijn moeite. Dat ik niet gereduceerd werd tot mijn slechtste keuzes. Dat was misschien wel het begin van het loslaten van die tweede huid.

 

Het afleren van gebruik was één ding. Het afleren van schuldgevoel iets anders. Want zelfs toen ik stopte, bleef die huid zitten. Alsof mijn lichaam vergeten was hoe het zonder moest. Ik voelde me schuldig over het verleden, over gemiste kansen, over pijn die ik had veroorzaakt zonder het altijd te beseffen. Ik voelde me schuldig over het heden, omdat herstel niet lineair was en ik soms verlangde naar verdoving. Ik voelde me schuldig over de toekomst, bang dat ik opnieuw zou falen.

 

Schuldgevoel verdwijnt niet ineens. Het vervaagt. Het wordt dunner. Soms steekt het nog op, onverwacht. Een geur, een liedje, een bepaalde stilte kan het oproepen. Dan voel ik weer even die oude spanning. Maar ik weet nu dat ik het niet hoef te volgen. Dat ik kan blijven zitten met het gevoel zonder erdoor geleid te worden.

 

Wat ik heb geleerd, is dat verslaving geen gebrek aan wilskracht is, maar een poging tot zelfzorg die ontspoord is. Dat inzicht maakt het niet goed wat er gebeurd is, maar het maakt het menselijk. En menselijkheid is de vijand van verlammende schuld.

 

Ik draag nog steeds littekens. Sommige zichtbaar, de meeste niet. Maar ze zijn niet langer een tweede huid. Ze zijn herinneringen, waarschuwingen, soms zelfs bronnen van compassie. Voor mezelf en voor anderen die worstelen.

 

Als je mij nu ziet, zie je waarschijnlijk iemand die zijn leven redelijk op orde heeft. Dat is waar, en ook onvolledig. Onder die buitenkant zit een geschiedenis die me gevormd heeft. Niet als straf, maar als context. Ik ben niet trots op alles wat ik heb gedaan, maar ik schaam me er ook niet meer voor dat ik heb geleden.

 

Schuldgevoel als tweede huid — ik heb haar lang gedragen. Ze heeft me warm gehouden in tijden dat ik dacht dat ik anders zou bevriezen. Maar ze kneep ook de adem uit me. Het moment dat ik haar begon uit te trekken, was niet het moment dat alles goed werd. Het was het moment dat ik ruimte voelde tussen wie ik was en wat ik had gedaan.

 

En in die ruimte, klein en kwetsbaar, begon herstel.

 

Veel liefs,

Femke 💚