"Gezocht".
Ik ging naar een vriend om even bij te praten. Niet omdat het gezellig was, maar omdat ik vastzat. In mijn hoofd. In vragen die ik niet hardop durfde te stellen, laat staan te beantwoorden. Ik nam wijn. Niet omdat ik zo'n liefhebber was, maar omdat ik al jaren dacht dat alcohol mij hielp. Dat het de scherpe randjes van mijn gedachtes afhaalde. Dat het de knoop in mijn borst losmaakte. dat ik makkelijker kon praten als ik een glas in mijn hand had.
Alsof eerlijkheid pas mocht bestaan als ik mezelf eerst een beetje verdreef.
Ik had een afspraak met mezelf gemaakt. Een controlemechanisme, dacht ik. Elastiekjes om mijn pols. Elk leeg glas betekende een extra elastiekje. Zo hield ik overzicht. Zo hield ik mezelf voor de gek dat ik grip had. Toen ik aankwam, voelde ik me gespannen maar hoopvol. Misschien zou dit helpen. Misschien zou ik eindelijk kunnen zeggen wat me dwarszat, zonder meteen te breken.
In het begin leek het te lukken. Er werd gepraat, gelachen. Ik voelde me even onderdeel van iets. Maar langzaam kwamen er meer mensen bij. Gesprekken werden oppervlakkiger, sneller, luider. En ik… ik werd stiller. Mijn woorden bleven steken. Mijn gedachten gingen hun eigen kant op. Sommige opmerkingen, sommige vragen, kwamen harder binnen dan ze bedoeld waren. Ze raakten iets ouds. Iets kwetsbaars. Iets wat ik al zo lang probeerde te verbergen, zelfs voor mezelf.
Ik weet niet veel meer van die avond. Flarden. Geluiden. Gevoelens. Een lach die te hard klonk. Een blik die ik verkeerd interpreteerde. Een opmerking die bleef hangen. Ik dacht dat ik een paar wijntjes had gehad. Dat viel wel mee, zei ik tegen mezelf. Ik keek op mijn pols. Twee elastiekjes.
Twee.
Dat stelde me gerust. Alsof dat iets betekende.
Ik weet dat ik heb gezegd dat ik naar huis wilde. Ik weet dat er werd gezegd dat het geen goed idee was om alleen in deze staat naar huis te fietsen. Ergens wist ik het wel. Dat ik niet helder was. Dat ik mezelf niet kon vertrouwen. Maar blijkbaar was dat weten niet genoeg om mezelf te stoppen.
Het volgende moment dat ik me herinner, is ijskoud.
Mijn ogen gingen open en ik lag in het kanaal.
Water om me heen. Zwart. Stil. Mijn lichaam schreeuwde voordat mijn hoofd het begreep. Ik weet niet hoe ik daar kwam. Ik weet niet of ik gesprongen ben of gevallen. Wat ik wél weet, is wat ik tegen mezelf zei. Dat ik niet meer wilde leven. Dat de pijn te groot was. Dat ik moe was van vechten. Maar tegelijk wist ik ook: niet zo. Niet op deze manier. Niet anoniem. Niet als een mislukking die niemand ziet.
Die tegenstrijdigheid was alles. Willen verdwijnen en toch willen blijven. Niet meer kunnen, maar ook niet echt willen stoppen met bestaan.
Met pijn en moeite zwom ik naar de overkant. Mijn lichaam werkte op pure overlevingsdrang. Mijn hoofd was leeg en vol tegelijk. Ik klom eruit. Trillend. Nat. Gebroken. De ambulance kwam. Ze keken me na, stelden vragen die ik nauwelijks kon beantwoorden. Ze brachten me naar huis.
En toen zag ik mama.
De blik in haar ogen vergeet ik nooit. Die paniek. Die angst. Die machteloosheid. Het was alsof ik mezelf ineens van buitenaf zag. Wat mijn gedrag deed. Wat mijn worsteling aanrichtte bij de mensen die van me hielden. En toch, zelfs toen, kon ik maar één ding vragen:
“Kun je me helpen douchen? Ik wil niet alleen zijn.”
Niet omdat ik vies was, maar omdat ik bang was. Bang voor mijn eigen gedachten. Bang voor de stilte. Bang voor mezelf.
Mama hielp me douchen. Ze deed niets verkeerd. Ze zei niet te veel. Ze was er gewoon. Daarna gingen we naar bed. Zij naast mij. Ik voelde haar ademhaling. Haar aanwezigheid. En in mijn hoofd bleef het malen: ik wil hier niet meer zijn. Ik doe iedereen pijn. Ik ben te veel. Te zwaar. Te moeilijk.
Ik dacht dat mama sliep en dat ik haar niet meer wilde belasten, met mijn demonen. Dus trok ik mijn kleren aan en ging naar buiten. Niet om te roken. Niet om af te koelen. Maar om weg te gaan. Geen plan. Geen richting. Alleen weg.
Ik liep door de straat. De wereld voelde vreemd en ver weg. Alsof ik er niet echt meer bij hoorde. Ik sprak een auto aan. Vroeg of ze me een stukje wilden wegbrengen. Waarheen? Geen idee. Ze moesten naar huis. Ik liep verder.
Ik hoorde een helikopter. Het geluid sneed door de lucht en door mijn hoofd. Ik zocht waar hij vandaan kwam. Hij hing boven het kanaal bij Breugel, richting Nuenen. Alsof hij me volgde. Alsof alles samenkwam in dat ene punt waar ik eerder die avond nog in het water had gelegen.
Nog een auto kwam voorbij. Ook hen vroeg ik om hulp. Ik had niet gezien dat het een politiebus was. Dit stuk is vaag. Alsof mijn geheugen gaten heeft geslagen om me te beschermen. Ze vroegen wie ik was. Ik zei mijn naam. En toen zei de politie:
“Ja, wij zijn op zoek naar jou.”
En zelfs toen, zelfs in dat moment, kwam er een vreemde vorm van humor uit mijn mond.
“Oh,” zei ik, “dan ben ik populair vanavond.”
Alsof ik het wilde wegwuiven. Alsof ik het kleiner kon maken dan het was. Alsof ik niet durfde te voelen hoe ernstig het eigenlijk was.
Thuis rookte ik nog een peuk. Mijn sleutels moest ik inleveren. Later bleek dat de helikopter ook van de politie was. Mama was doodsbang. Bang dat ik mijn leven echt zou beëindigen. En dat besef… dat kwam pas later. Toen de mist optrok. Toen de alcohol wegebde en de realiteit keihard binnenkwam.
Dit verhaal gaat niet alleen over die ene avond. Het gaat over wat drank met mij doet. Hoe alcohol mijn negatieve stemmen versterkt. Hoe het mijn zelfkritiek harder laat schreeuwen. Hoe het mijn grenzen vervaagt, mijn remmen loslaat en mijn pijn vergroot. Ik dacht altijd dat ik makkelijker kon praten met drank. Maar wat het eigenlijk deed, was mij verder van mezelf afbrengen.
Ik verloor de controle. Over mijn lichaam. Over mijn keuzes. Over mijn veiligheid. En het engste is: ik wist het niet eens meer.
Drank maakte me niet eerlijker. Het maakte me gevaarlijker voor mezelf.
Ik schrijf dit niet om medelijden te krijgen. Ik schrijf dit om te laten zien hoe dun de lijn soms is. Hoe iemand kan lachen met een glas wijn in de hand en een paar uur later niet meer weet hoe hij in een kanaal terecht is gekomen. Hoe negatieve gedachten, gevoed door alcohol, kunnen veranderen in daden zonder dat je het doorhebt.
Ik leef nog. En dat is geen vanzelfsprekendheid. Elke dag probeer ik te leren luisteren naar mijn pijn zonder haar te verdoven. Naar mijn stemmen zonder ze te laten schreeuwen. Dit verhaal is rauw, omdat het echt is. En omdat zwijgen gevaarlijker bleek dan spreken.
Dit is wat drank met mij doet.
En dit is waarom ik het niet meer kan negeren.
Een week later kwam het pas echt binnen. Niet in één keer, maar in golven. Alsof mijn hoofd me eerst had beschermd door alles op afstand te houden. Alsof mijn lichaam had gezegd: nu even niet, eerst overleven. Maar toen begon het.
De sirenes.
Elke keer als ik een sirene hoorde, verstijfde ik. Mijn hart sloeg sneller, mijn ademhaling werd oppervlakkig. Het geluid sneed door me heen, recht mijn lijf in. En met elke sirene kwam er meer beeld. Meer herinnering. Meer besef van wat er gebeurd was. Niet alleen dat ik in het kanaal had gelegen, maar alles eromheen. De chaos. De paniek. De zoektocht naar mij. Het feit dat mensen naar mij op zoek waren omdat ze bang waren dat ik mezelf iets zou aandoen.
Het was alsof de sirenes mijn geheugen openbraken.
Ik zag flarden die ik eerder niet had toegelaten. De ambulance. De politie. De helikopter. Het idee dat mijn leven die nacht aan een zijden draadje had gehangen. En vooral: dat het niet alleen míjn leven was dat op het spel stond. Elke sirene bracht ook mama’s gezicht terug. Haar angst. Haar machteloosheid. De gedachte dat zij misschien had gedacht dat ze me kwijt was.
Dat besef deed meer pijn dan alles wat ik die nacht had gevoeld.
Tot dat moment had ik het nog een beetje kunnen wegstoppen. Kunnen relativeren. Kunnen denken: het viel wel mee, het is goed afgelopen. Maar de sirenes lieten me niet wegkijken. Ze dwongen me te voelen. Te erkennen hoe dichtbij het einde was geweest. Hoe dicht ik bij een punt was gekomen waar geen grapje, geen relativering en geen elastiekje om mijn pols me had kunnen redden.
Vanaf dat moment wist ik: dit was geen incident. Dit was een waarschuwing. Mijn lichaam en mijn hoofd hadden me iets duidelijk proberen te maken, en ik kon het niet langer negeren. Alcohol had me niet geholpen. Het had me bijna alles gekost.
En elke sirene die ik nu hoor, herinnert me daaraan. Niet alleen aan de angst, maar ook aan het feit dat ik er nog ben. Dat ik ben blijven leven. En dat ik de verantwoordelijkheid heb om beter voor mezelf te zorgen dan ik die nacht kon.
En juist dat besef zorgde ervoor dat ik mezelf nóg meer begon te haten.
Niet alleen om wat er was gebeurd, maar om alles wat het had losgemaakt. Om de paniek die ik anderen had aangedaan. Om de angst in mama’s ogen. Om het feit dat er politie, een ambulance en zelfs een helikopter nodig waren geweest… voor mij. Het voelde alsof mijn bestaan te zwaar was. Alsof ik overal waar ik kwam onrust achterliet.
Elke sirene werd niet alleen een herinnering, maar ook een aanklacht.
Kijk wat je hebt veroorzaakt.
Kijk hoeveel mensen jij belast.
Kijk hoe gevaarlijk jij voor jezelf bent.
Ik veroordeelde mezelf harder dan wie dan ook ooit had kunnen doen. In mijn hoofd was er geen ruimte voor mildheid, geen ruimte voor nuance. Alleen schaamte. Schaamte dat ik zo ver was gegaan. Schaamte dat ik nog leefde terwijl ik anderen zoveel angst had aangedaan. Het voelde tegenstrijdig: dankbaar zijn dat ik er nog was, en mezelf tegelijk verafschuwen omdat ik er nog was.
Ik begon elk detail opnieuw af te spelen. Wat als ik niet uit het water was gekomen? Wat als niemand me had gevonden? Wat als mama mij die ochtend niet meer had gehad? Die gedachten maakten me misselijk. En toch kon ik er niet mee stoppen. Het was alsof ik mezelf moest straffen door alles keer op keer te herbeleven.
Mijn zelfbeeld brokkelde verder af. Ik zag mezelf niet meer als iemand die het moeilijk had, maar als iemand die gevaarlijk was. Iemand die je in de gaten moest houden. Iemand die geen vertrouwen verdiende, zelfs niet van zichzelf. Alcohol was daarin de katalysator geweest, maar de schuld legde ik volledig bij mij.
Ik haatte mezelf omdat ik controle verloor.
Ik haatte mezelf omdat ik hulp nodig had.
Ik haatte mezelf omdat ik bleef leven terwijl ik dacht dat ik dat niet verdiende.
Pas veel later begon ik voorzichtig te begrijpen dat zelfhaat geen gevolg was van zwakte, maar van pijn die te lang genegeerd was. Dat de stemmen in mijn hoofd niet de waarheid spraken, maar schreeuwden om aandacht. Om zorg. Om begrenzing.
Maar in dat moment, na die sirenes, na dat besef, was er nog geen begrip. Alleen afkeer. En een diep gevoel dat ik mezelf was kwijtgeraakt.
Veel liefs,
Femke💚