"Elke dag begint hetzelfde, maar voelt nooit hetzelfde".
Ik word wakker met een droge mond en een hoofd dat al te hard nadenkt voordat mijn ogen goed open zijn. Het eerste wat ik doe is luisteren. Niet naar de wereld buiten, maar naar binnen. Naar die stem die fluistert dat één geen kwaad kan. Dat het vandaag anders is. Dat ik het verdien. Elke dag opnieuw een keuze om niet de eerste op te pakken. En dat ik die eerste wel pak, begin ik precies waar ik ben geëindigd.
Ik heb lang gedacht dat verslaving iets was van zwakte. Van mensen zonder discipline, zonder ruggengraat. Mensen die hun leven niet op orde hadden. Tot ik zelf zo iemand werd. Of beter gezegd; tot ik moest toegeven dat ik het al lang was. Verslaving sluipt niet binnen met sirenes en zwaailichten. Ze komt op kousenvoeten. Eerst als beloning. Daarna als gewoonte. Uiteindelijk als noodzaak.
In het begin had ik alles onder controle. Dat zei ik tenminste. Ik werkte, lachte, functioneerde. Mensen zagen niets. Of wilden niets zien. Ik was nuchter genoeg om afspraken na te komen en verdoofd genoeg om niets echt te voelen. Dat leek een perfecte balans. Tot die balans steeds vaker doorsloeg.
Het moment dat ik wist dat het geen spel meer was, was niet spectaculair. Geen overdosis, geen ziekenhuis, geen drama. Het was een dinsdag. Gewoon een dinsdag. Ik stond in de keuken en merkte dat mijn handen trilden. Niet van angst, maar van verlangen. Ik had nog niets genomen en toch draaide mijn hele dag al om het moment dat ik dat wel zou doen. Dat was het moment waarop ik besefte: dit is geen keuze meer, dit is een eis.
Verslaving liegt. Ze vertelt je dat zij je rust geeft, terwijl ze juist de onrust veroorzaakt. Dat zij je helpt slapen, terwijl ze je wakker houdt. Dat zij je sterker maakt, terwijl ze je langzaam afbreekt. Ze praat in zinnen die logisch klinken, vooral als je moe bent. En ik was altijd moe.
Ik begon dingen te verbergen. Niet alleen voor anderen, maar vooral voor mezelf. Ik maakte afspraken die ik niet nakwam, en had daar altijd een reden voor. Ik werd goed in uitleggen. In rechtpraten. In doen alsof. Hoe dieper ik zakte, hoe beter ik werd in het dragen van een masker.
Mensen om me heen begonnen vragen te stellen. Voorzichtig eerst. “Gaat het wel?” “Je bent anders de laatste tijd.” Ik wuifde het weg. Druk, stress, gewoon een fase. Niemand vroeg door. En ik was dankbaar voor hun stilte, al voelde die stilte ook als verraad.
Het dieptepunt is geen vast punt. Het verschuift. Wat gisteren ondenkbaar was, is vandaag normaal. Wat vandaag pijn doet, is morgen routine. Ik schoof mijn grenzen op tot ik ze niet eens meer zag. En elke keer als ik dacht dat ik niet verder kon zakken, bleek er nog een trap naar beneden.
Toch was er altijd dat ene moment op de dag. Dat ene heldere seconde waarin ik wist: dit klopt niet. Vaak ’s ochtends. Soms midden in de nacht. Dan voelde ik alles tegelijk. Schaamte. Spijt. Angst. En ook hoop, hoe vreemd dat ook klinkt. Hoop dat het anders kon. Dat ik anders kon. Dat ik mensen geen pijn meer zou doen.
Stoppen is geen heldendaad. Het is geen filmische beslissing met applaus op de achtergrond. Stoppen is opstaan terwijl alles in je lichaam schreeuwt dat je moet blijven liggen. Het is koffie drinken zonder iets erin te doen (althans voor de mensen die koffie met iets erin drinken, ik vind het anders geen koffie). Het is langs dezelfde winkel lopen en niets kopen. Het is minuten tellen. Uren overleven.
De eerste dagen waren rauw. Mijn lijf protesteerde. Mijn hoofd draaide overuren. Ik sliep slecht, at slecht, dacht slecht. Alles kwam terug wat ik zolang had weggedrukt. Gevoelens hebben geen pauzeknop. Als je ze lang negeert, komen ze terug met rente.
Ik ontdekte dat nuchter zijn niet hetzelfde is als leven. Nuchter zijn is voelen. En voelen doet pijn. Maar het is echte pijn, geen verdoving, geen uitstel. Het is pijn die iets zegt, iets wil. En langzaam leerde ik luisteren.
Ik begon te praten. Eerst onhandig, met horten en stoten. Tegen mensen die ik vertrouwde, dat ik hulp ging zoeken dat ik het niet alleen kan en de psycholoog voor dit probleem niet de juiste was. Dat ik wist dat ik de verslaving voor wilde zijn, maar de verslaving had mij al in zijn greep. Dat ik verslaafd was. Dat ik bang was. Dat ik niet wist of ik het zou redden. Elke keer dat ik het uitsprak, verloor het een beetje van zijn macht.
Terugval is geen falen, maar het voelt wel zo. Elke misstap voelde als bewijs dat ik gelijk had gehad: dat ik dit niet kon. Maar ik leerde dat herstel geen rechte lijn is. Het is een kronkelend pad vol obstakels, omwegen en momenten waarop je even stil moet staan.
Wat niemand je vertelt, is hoe saai herstel soms is. Geen highs, geen lows. Gewoon dagen. Gewone dagen. En juist daarin zit de uitdaging. Want verslaving houdt van extremen. Herstel vraagt om rust, en rust is wennen.
Ik leerde opnieuw wie ik was zonder. Zonder de roes, zonder het excuus. Ik ontdekte dat ik niet altijd leuk was. Niet altijd sterk. Soms gewoon leeg. Maar ook dat leegte ruimte kan zijn. Ruimte om iets nieuws te bouwen.
Elke dag maak ik nog steeds die keuze. Soms makkelijk, soms met moeite. Ik weet dat die eerste altijd klaar ligt. Dat hij geduldig wacht. Maar ik weet ook waar hij me brengt. En dat is genoeg om hem vandaag te laten liggen.
Ik leef nuchter. Niet perfect, niet zonder strijd. Maar echt. Rauw. Diep. Met littekens die ik niet meer verberg. En als mijn verhaal iemand raakt, iemand even laat stoppen bij die eerste, dan is dit alles niet voor niets geweest.
Elke dag een keuze. Vandaag heb ik gekozen de eerste niet op te pakken.
Veel liefs,
Femke 💚