Wanneer de nacht openbrak

Gepubliceerd op 8 december 2025 om 21:00

Ik lag in bed, half slapend, half denkend, op dat breekbare randje waarop je gedachten nog zacht zijn en je lichaam langzaam loslaat. Ik wilde rust. Mijn hoofd was overvol, maar mijn lichaam was op. Ik verlangde naar een simpele nacht, zonder gedoe, zonder spanning.

 

En precies op dat moment kwam het.

 

“Femke… help mij. Kom mij redden.”

 

De stem was zo scherp, zo dichtbij, dat het voelde alsof iemand mijn naam beetpakte. Het klonk niet als een droom. Het was alsof er iemand in mijn kamer stond. Het ging dwars door me heen. Mijn hart sprong omhoog en begon daarna te bonzen alsof het wilde ontsnappen.

 

Ik dacht niet. Ik reageerde.
Ik vloog overeind, trok mijn slippers aan, schoot in een trui en greep mijn sleutels alsof ik een missie had. Alsof ík die ene persoon was die iets moest doen. Buiten voelde de lucht vreemd dik, alsof ik in een andere wereld stapte.

 

Ik luisterde. Heel mijn lichaam was gespannen.
En toen hoorde ik het weer.

 

“Femke… help me…”

 

Het klonk alsof iemand mij nodig had. Iemand die ik niet kon laten wachten. Iemand die misschien dood zou gaan als ik niet snel genoeg was. Die gedachte vrat zich vast in mijn borst. Hij voelde niet als een idee — hij voelde als een opdracht, als een verantwoordelijkheid die ik niet kon weigeren.

 

Ik begon te lopen. Gejaagd, paniekerig, telkens denkend dat ik dichterbij was. Maar ik vond niks. Helemaal niks. Met elke minuut die voorbijging, groeide de paniek in mij. Mijn ademhaling werd kort en scherp, mijn handen koud en klam. Mijn hart deed pijn. Mijn gedachten draaiden in rondjes:

 

Waarom hoor ik hem, maar vind ik hem niet? Waarom lukt het me niet? Wat als ik de enige ben die hem kan redden? Wat als hij sterft omdat ík hem niet vind?

 

Die gedachte—dat ik faalde—deed het meeste pijn.

 

Ik voelde me verantwoordelijk. Ik voelde me schuldig. De stem riep míj, alleen mij, en ik vond hem niet. Ik raakte mezelf langzaam kwijt in die paniek. Alles werd wazig, behalve die ene overtuiging dat ik iemand in de steek liet.

 

Op een gegeven moment stond ik voor een huis. Ik weet eigenlijk niet eens hoe ik erbij kwam of waarom ik dacht dat het daar moest zijn. Maar ik stond daar. Wachtend. Luisterend. Verstijfd van angst en verantwoordelijkheid.

 

In mijn hoofd stond ik maar vijf minuten daar.
Maar dat was niet de werkelijkheid.

 

De deur ging open. Een vrouw. Boos, scherp, echt.

 

“Als je nu niet weggaat, bel ik de politie.”

 

Haar stem klonk als een klap in mijn gezicht. Plotseling voelde ik hoe koud ik was. Hoe moe. Hoe vastgevroren ik had gestaan. Ik had daar gestaan als een dwaallicht, als iemand die verdwaald was in zijn eigen hoofd.

 

Op dat moment kwam de schaamte.
Rauw. Hard. Snijdend.

 

Ik voelde me zó teleurgesteld in mezelf.
Zó schuldig.
Zó verward.

 

Niet alleen omdat ik de stem niet had gevonden, maar omdat ik ineens doorhad dat ik misschien iets zocht dat nooit buiten mij had bestaan.

 

Ik draaide me om en liep weg. Bedroefd. Leeg. Alsof ik een mislukte reddingsactie achter me liet. Alsof ik iemand had laten sterven — iemand die er misschien nooit was geweest, maar die voor mij zó echt had gevoeld dat mijn hart er nog steeds pijn van deed.

 

De weg naar huis voelde eindeloos. De nacht was weer stil, maar nu voelde die stilte vijandig. Ik kwam thuis, legde mijn sleutels neer met trillende handen en ging liggen. Niet uit rust, maar uit pure uitputting.

 

De volgende ochtend werd ik wakker alsof ik in een andere wereld terecht was gekomen.
Verward. Verdwaasd. Alsof mijn hoofd nog steeds half in die nacht hing. Ik wist niet wat echt was geweest, wat niet, wat ik had gedaan. Alles voelde dof. Mijn eigen gedachten vertrouwden me niet meer.

 

En toch was het echt gebeurd.
Die nacht had me opengebroken.
En ik moest langzaam, pijnlijk langzaam, de weg terugvinden naar mezelf.

 

Ik wist op dat moment echt zeker dat de verslavingszorg niet langer moest wachten. Ik werd langzaam gek.

 

Ik heb het nog nooit eerder verteld, omdat ik me ervoor schaam. Maar het is de werkelijkheid en als ik verder wil groeien als persoon, wil ik graag helemaal eerlijk zijn.

 

Veel liefs,

Femke 💚