"Ik werd wakker zonder reden, geen wekker, geen afspraak, geen plotse angstaanval die me uit mijn slaap rukte."
Gewoon... wakker. Alsof mijn lichaam een automatische noodstop had ingedrukt. Het eerste wat ik voelde, nog voor de pijn achter mijn ogen en de droge keel, was dat typische doffe besef; het is weer mislukt. Ik had mezelf weer beloofd dat ik niet meer zou drinken. En toch lag ik daar, half aangekleed, met een fles wijn dat nog maar net niet omgevallen was op de vloer naast mijn bed.
Er was niet heroïsch aan. Geen rock-'n-roll, geen drama. Alleen de huiveringwekkende alledaags van een routine die al een paar jaar sluipend de baas was geworden. Alcohol was niet langer een keuze. Het was een systeem. Een onderstroom. Een soort interne thermostaat die voortdurend "meer" fluisterde, zelfs wanneer ik allang koud stond vanbinnen.
Ik lag daar en staarde naar het plafond. De lichte verkleuring in de hoek - een soort vage waterplek - leek op een vlek die groter werd telkens wanneer ik probeerde mijn gedachten weg te duwen. Je denkt vast dat het dieptepunt komt als je je baan verliest, of als je vrienden afhaken, of wanneer je moeder niet meer belt omdat ze het niet meer kan aanzien. Maar dat is niet waar. Het echte dieptepunt komt wanneer je 's ochtends je ogen opent en je enige gedachte is: "Hoe snel kan ik weer drinken of gebruiken zonder dat ik mezelf moet toegeven dat ik verslaafd ben?"
Ik schoof rechtop en de kamer begon lichtjes te draaien, alsof de muren zich traag om me heen sloten. Het stinkt naar oud zweet, muffe kleren en de restjes drank die ik ooit eens onder invloed heb proberen weg te poetsen. Een poging tot normaliteit. Het soort poging waar ik mezelf graag voor prees, alsof ik dan kon zeggen: "Zie je wel, ik heb alles onder controle."
Maar controle.. had ik al jaren niet meer, als ik eerlijk ben.
Het begin dat geen begin was.
Mensen vragen soms wanneer het begon. Dat is een irritante vraag. Niet omdat ik hem niet wil beantwoorden, maar omdat hen ervan uitgaan dat verslaving ergens start. Alsof je een datum kunt aanwijzen en zeggen: "Ja toen, dat ene moment, dat was het begin." Maar dat is niet hoe het werkt.
Het begon toen het iets werd waar ik naar uitkeek. Een biertje werd ontspanning, maar die ontspanning werd een noodzaak. De noodzaak werd een houvast. En uiteindelijk werd het een pistool op mijn slaap - onzichtbaar, stil - dat elke dag fluisterde: "Nog eentje, je hebt het nodig."
En eerlijk? Ik luisterde graag naar die stem. Alcohol was de enige stem die nooit teleurstelde. Die altijd zei dat het wel zou lukken, dat het allemaal erger leek dan het was, dat de wereld zachter werd als je nog één slok nam.
Het was pas veel later dat ik besefte dat die zachtheid eigenlijk slijtage was. Niet ontspanning, maar beschadiging van de oppervlakte van een orgaan.
De ochtenden
De ochtenden waren het ergst. Niet de avonden, zoals vele denken. 's Avonds kon ik mezelf verhalen vertellen, kon ik doen alsof ik "mag" dronken omdat ik een slechte dag had of omdat iedereen het doet. Ik kon doen alsof het glas in mijn hand een keuze was.
Maar 's ochtends.. daar zijn geen uitvluchten.
De realiteit wacht dan als een hond bij de voordeur, snuivend, klaar om je aan te vallen zodra je je ogen open doet.
Ik trok mezelf uit bed, trompelde naar de badkamer en staarde in de spiegel. Mijn gezicht zag eruit alsof iemand met een gum aan de randen had zitten vegen. Een vage versie van mezelf. Rood dooraderde ogen, huid grauw, mijn haren alle kanten op, en make-up dat er nog opzit van de vorige avond.
Ik wreef de slaap uit mijn ogen en veegde de spatten van de spiegel weg, alsof het de reflectie kon verbeteren. Maar zo werkt het niet. Je kunt “vieze spiegel” maar een beperkt aantal keren als excuus gebruiken.
De douche was lauw. Ik stond er te lang onder, hield mijn handen tegen de tegels, wachtend tot de trillingen in mijn vingers zouden stoppen. De eerste gedachte die opkwam was of er nog een fles in de slaapkamer verstopt lag. Niet eens om dronken te worden. Alleen om de spanning in mijn borst te verzachten, de mist in mijn hoofd te verdunnen.
En dat is precies het punt waarop verslaving zijn ware gezicht laat zien: wanneer je niet meer drinkt om te ontsnappen, maar om te kunnen functioneren.
Wanneer nuchter zijn gevaarlijker voelt dan dronken.
De dag die maar niet begon.
Ik had al maanden geen werk meer. Officieel was het een "tussenperiode". In werkelijkheid was het een dal dat steeds dieper werd. Ik leefde in een soort vacuüm, een tijdloze plas waarin dagen op elkaar leken en waar het middag kon worden zonder dat ik het merkte.
Ik ging naar de keuken, zette koffie die smaakte naar verbrande grond en op de een of andere manier altijd sterker rook dan hij smaakte. Terwijl het apparaat pruttelde, bekeek ik de rotzooi die ik had gemaakt. Ik zag de lege flessen op de buitentafel staan. Ik deed alsof ik ze niet zag. Dezelfde manier waarop je doet alsof een wond niet bloedt.
Ik ging naar buiten met mijn koffie en om een sigaret te roken, maar ik voelde hoe mijn maag protesteerde, en dacht dat aan gisteren. De details waren wazig. Ik herinnerde me flarden: een telefoongesprek dat ik te laat had opgenomen, een ruzie met iemand die ik waarschijnlijk al maanden niet had gezien, iets wat ik online had gepost en meteen weer had verwijderd.
Het waren geen verhalen meer. Alleen restjes.
Verslaving rooft je geheugen voordat je je gezondheid verliest. Het neemt de context weg. Het neemt de logica weg. Het laat je achter met vage beelden alsof je leven uit slecht gemonteerde scenes bestaat.
De middag die te vroeg kwam.
Rond één uur begon de drang zo hard te trekken dat mijn handen koud werden. Dat is het moment waarop ik altijd dacht: Als ik nu niet drink, wordt het erger.
Het leek rationeel. Dat is het verraderlijke. Je hoofd creëert redeneringen die klinken als logica, maar eigenlijk alleen maar de stem van de verslaving zijn.
Dus stond ik op. Ik opende de koelkast, pakte een fles bier, voelde de koude condens op mijn vingers. Ik zette hem op de tafel, keek ernaar zoals je kijkt naar iemand die je niet kunt verlaten.
Ik schroefde de dop eraf. De geur alleen al bracht een soort kunstmatige rust.
De eerste slok was geen genot. Het was een medicijn. Een verkeerd medicijn, maar effectief. Ik voelde hoe de spanning in mijn borst iets zakte, hoe mijn gedachten trager werden, alsof ze door een stroperige vloeistof trokken.
En ik dacht opnieuw: morgen begin ik opnieuw.
De avond - het echte gevecht.
De avond kwam zoals hij altijd kwam: ongewenst maar onafwendbaar. De zon ging onder en de kamer werd donker, en ik deed geen moeite om het licht aan te steken.
Ik dronk nog een glas of ik snoof nog een puntje. En nog één. De gesprekken die ik met mezelf voerde werden zachter, losser, minder vijandig. Ik kon mezelf bijna weer aardig vinden.
Maar dat is het gevaar: alcohol geeft je een versie van jezelf die je net lang genoeg leuk vindt om te blijven drinken, maar niet lang genoeg om iets op te bouwen.
Ik zette muziek op die te hard stond. Zong mee. Danste half door de woonkamer, struikelde bijna over een stapel schoenen. Lachte. Of huilde. Soms wist ik het verschil niet meer.
En toch voelde ik ook de andere kant. Dat knagende besef dat ik een leven aan het verliezen was. Geen groot dramatisch leven, maar een simpel leven waarin ik had kunnen ademen zonder pijn.
Er kwamen momenten waarop ik mijn telefoon wilde pakken en iemand wilde bellen – een vriend, mijn moeder, zelfs een hulpdienst. Maar de schaamte was een betonnen muur. En elke dag dat je niet belt, wordt die muur dikker.
Ik wilde deze strijd niet meer.
De nacht - het verdwijnen.
De nacht viel zoals altijd onverwachts. Ik had geen idee hoe laat het was. De fles was bijna leeg. Mijn gedachten waren een soort natte as.
Ik keek naar mijn handen. Ze trilden niet meer. Dat voelde als winst. Maar het was geen winst. Het was koop nu, betaal later.
Ik ging op de bed liggen, half slapend, half zwevend. En net zoals elke avond kwam dezelfde gedachte voorbij, fluisterzacht maar snijdend:
Misschien word ik morgen niet wakker.
En onmiddellijk daarna:
Misschien is dat niet eens erg.
Het is schokkend hoe rustig die gedachte kan zijn. Geen drama, geen tranen. Alleen een vlakke acceptatie dat je het eigenlijk niet meer weet.
En dan kwam de blackout, als een hand die het licht uitknipt.
De volgende ochtend - weer zonder reden.
En zo werd ik wakker. Zonder reden. Zonder plan. Zonder leven dat echt van mij voelde.
Maar die ene ochtend — degene waar ik nu over schrijf — was anders. Niet omdat ik “geïnspireerd” was of omdat ik opeens klaar was met alles. Nee. Het was iets kleiners. Iets subtielers.
Ik werd wakker en voelde niet alleen dat het mislukt was. Ik voelde ook dat dit niet houdbaar was. Niet nog een dag, niet nog een week. Ik voelde dat als ik niets deed, ik niet alleen mijn leven zou verliezen, maar ook het gevoel mens te zijn.
Dus stond ik op. Niet heldhaftig. Niet gemotiveerd. Eerder uit pure wanhoop. Ik zette koffie, rook opnieuw de muffe lucht, en deed iets wat ik al jaren niet had gedaan: ik pakte mijn telefoon, zocht het nummer van iemand die ik vertrouwde, en drukte op bellen.
Ik had geen toespraak voorbereid. Geen mooi verhaal om mijn falen te verbergen. Ik zei alleen:
“Kun je komen? Het gaat niet goed.”
En toen begon iets dat ik nooit had verwacht: ik begon te huilen. Niet zachtjes, maar diep, hees, alsof ik jaren aan opgehoopte spijt eruit perste.
En die persoon—die had alle reden om me te laten vallen—zei alleen:
“Blijf waar je bent. Ik kom eraan.”
Dat was het moment waarop ik besefte dat ik misschien kapot was, maar niet verloren. Dat er een klein deel in mij nog wilde leven. Dat kleine deel had de telefoon gepakt.
Misschien begint herstel niet met hoop.
Misschien begint het met wanhoop die je net lang genoeg laat ademen om hulp te vragen.
Misschien begint het met wakker worden zonder reden — en dan eindelijk een reden zoeken.
Lieve lezers,
En misschien is dat het echte begin:
niet het stoppen, niet het redden, niet het herstellen—
maar het moment waarop je eindelijk fluistert:
“Ik wil leven.”
En de stilte voor het eerst in lange tijd terugfluistert:
“Dan begin ik met je mee.”
Veel liefs,
Femke💚