'Ik weet nog precies het moment waarop ik begon te verdwijnen, al deed het toen nog niet pijn'.
Het begon met sporten.
Niet omdat ik het zo leuk vond, maar omdat het de enige plek was waar mijn hoofd even stil werd.
Als ik rende, dacht ik niet.
Als ik trainde, voelde ik niets.
En dat was precies waar ik naar verlangde.
Ik ging steeds harder, steeds vaker, steeds langer.
Ik noemde het discipline, doorzettingsvermogen, liefde voor sport—wat een onzin.
Het was vluchtgedrag, verpakt in applaus van anderen.
En dan ineens zei mijn lichaam: stop.
Ik wilde niet stoppen.
Ik kon niet stoppen.
Maar mijn knieën, mijn spieren, mijn hart… ze weigerden.
En toen stond ik daar.
Leeg.
Onrustig.
Angstig.
Zonder mijn dagelijkse verdoving.
Toen kwam alcohol binnen als een zachte klap.
In het begin was het “voor de gezelligheid”.
Maar ik wist dondersgoed dat ik dronk om stilte in mijn hoofd te krijgen.
Die eerste slok voelde als een warme hand in mijn nek.
Even rust. Even niets hoeven.
En ik wilde méér van dat niets.
Het ging sneller dan ik durfde toe te geven.
Ik had het zogenaamd onder controle, maar ondertussen verloor ik mezelf in elke fles die ik opentrok.
Ik voelde me slap, mislukt, vies—en toch dronk ik door.
Omdat nuchter zijn me confronteerde met iemand die ik niet wilde zijn: mezelf.
Maar alcohol is traag.
Je hebt steeds meer nodig voor hetzelfde effect.
Tot ik op een dag dacht: er moet iets zijn dat harder werkt, sneller werkt, beter werkt dan dit.
En ja, dat was er.
En dat was het begin van het donkerste stuk.
Ik ga niet in detail.
Details zijn verleidelijk, maar ze zijn niet belangrijk.
Het draait niet om wat het precies was, maar om wat het met mij deed.
Ik verloor elke grip op grenzen.
Ik zei ja tegen dingen waar ik nee tegen had moeten schreeuwen.
Ik loog tegen iedereen — familie, vrienden, mezelf.
Vooral mezelf.
Ik leefde in een soort waas waarin dag en nacht geen betekenis hadden.
Waar ik constant iets nodig had om mezelf te verdoven.
Waar mijn lichaam niet meer de mijne voelde en mijn gedachten geen plek meer hadden om te rusten.
Het dieptepunt?
Niet de paniek.
Niet de lichamelijke gevolgen.
Niet de angstaanvallen.
Het dieptepunt was de spiegel.
Mijn ogen waren leeg.
Niet verdrietig.
Niet boos.
Gewoon… weg.
Ik keek mezelf aan en voelde niets.
Letterlijk niets.
En ik wist: ik ben mezelf kwijtgeraakt.
Niet per ongeluk.
Niet plotseling.
Maar langzaam, stap voor stap, tot er bijna niets meer over was.
En toch… ergens diep vanbinnen brandde nog een heel klein restje van mij.
Een schaduwpunt, maar het was er.
Een fluistering:
Hou op. Doe het niet meer. Kies iets anders. Kies jezelf.
Dat was het moment waarop ik brak.
En precies dat brakpunt werd mijn beginpunt.
Herstel is geen heroïsch verhaal.
Het is rauw.
Het is stil.
Het is schaamte, vallen, opnieuw proberen, schreeuwen in jezelf.
Het is elke dag kiezen voor voelen in plaats van vluchten.
Voor eerlijkheid in plaats van verdoving.
Voor leven in plaats van overleven.
Ik ben er nog niet.
Maar ik ben hier.
Aanwezig.
Ademend.
Niet meer wegrennend.
En dat is meer dan ik ooit dacht te bereiken.
Ik verloor mezelf.
Aan sport.
Aan drank.
Aan drugs.
Maar ik ben bezig mezelf terug te halen.
Stuk voor stuk.
Pijnlijk.
Eerlijk.
Rauw.
En voor het eerst in lange tijd geloof ik dat het kan.
Ik ben niet de persoon die ik was voordat dit begon — en dat is oké.
Ik ben iemand die elke dag een beetje wijzer wordt, een beetje eerlijker, een beetje meer aanwezig in mijn eigen leven.
En als ik iets mee wil geven aan wie dit leest, is het dit:
Je kunt jezelf verliezen. Dat gebeurt.
Maar je kunt jezelf ook terugvinden.
Soms langzaam. Soms wankelend. Soms huilend.
Maar altijd waardevoller dan je denkt.
Veel liefs,
Femke 💚