De gevangenis van mijn eigen gedachten

Gepubliceerd op 10 november 2025 om 21:00

"Er was een plek waar niemand me ziet, maar waar ik het grootste deel van mijn leven heb doorgebracht."

Een plek zonder muren, maar waar ik niet uit kon ontsnappen. Niet omdat ik iemand me opsloot, maar omdat ik zelf de sleutel had weggegooid. Dit mijn verhaal over de gevangenis van mijn eigen gedachten - hoe ik erin terechtkwam, hoe ik leerde overleven, en hoe ik langzaam leerde om weer vrij te ademen.

 

De gevangenis van mijn eigen gedachten.

Er is geen traliewerk, geen cipier, geen sleutelbos die aan een riem rammelt. Toch zit ik gevangen. Niet in een cel van beton, maar in een cel die ik zelf heb gebouwd - steen voor steen, gedachte na gedachte. En het ergste is; ik wist niet eens dat ik bezig was met bouwen.

 

Mijn gevangenis is stil. Tenminste, dat lijkt zo voor de buitenwereld. Maar vanbinnen is het nooit stil. Daar gonst het, raast het, knarst het. Mijn hoofd is een fabriek die nooit sluit, die rookt en vonkt en draait, ook als ik wil slapen, ook als ik even adem wil halen. Het zijn geen machines van staal, maar gedachten - scherpe, fluisterende, soms schreeuwende gedachten. Ze praten tegen me alsof ze de waarheid zijn.

Je bent niet goed genoeg.

Je had beter moeten weten.

Iedereen ziet dat je faalt.

 

Ze komen niet allemaal tegelijk. Ze komen in golven. Soms zachtjes, bijna onschuldig, en dan ineens met de kracht van een storm die alles omver blaast wat ik probeerde overeind te houden.

 

Ik heb geprobeerd ze te negeren. Te doen alsof ze er niet zijn. Maar gedachten laten zich niet wegduwen. Hoe harder ik duw, hoe harder ze terugduwen. Tot ik op een punt kwam waarop ik niet meer wist wat ik dacht omdat ik het dacht, en wat ik dacht omdat mijn angst het me influisterde.

 

Het begin van de muren.

Er is niet één moment waarop het begon. Geen duidelijke dag waarop ik dacht: vanaf nu ben ik gevangen.
Het sloop erin.


Misschien begon het met een kleine teleurstelling. Iets dat ik verkeerd deed, iets wat ik niet los kon laten. Een blik van iemand, een opmerking die bleef hangen.
Ik leerde dat pijnlijke gedachten veilig konden voelen — omdat ze voorspelbaar waren.
Ik wist wat ik kreeg: zelfkritiek, schuld, schaamte. Het was bekend terrein. En ergens, diep vanbinnen, gaf die bekendheid me een vreemd gevoel van controle.

 

Dus bouwde ik verder. Elke keer dat ik mezelf vertelde dat ik niet genoeg was, legde ik een nieuwe steen.
Elke keer dat ik mijn gevoelens negeerde, kwam er een muur bij.
En elke keer dat ik glimlachte terwijl ik vanbinnen leeg voelde, ging de deur een stukje dichter.

Tot ik op een dag besefte dat ik nergens meer heen kon.
Ik was opgesloten in mezelf.

 

De stilte die schreeuwt.

Van buiten leek alles normaal. Ik had gesprekken, ik werkte, ik lachte op de juiste momenten. Niemand zag dat ik ondertussen worstelde om niet te verdrinken in mijn eigen hoofd.
Mensen zeggen weleens dat stilte helend is. Maar er bestaat ook een andere soort stilte — een die niet heelt, maar verstikt.

 

In die stilte begon ik mezelf kwijt te raken.
Ik merkte dat ik niet meer wist wat ik voelde. Of beter: ik voelde álles tegelijk, zo intens dat ik het liever helemaal niet voelde.
Dus trok ik me terug. Ik vermeed situaties, gesprekken, spiegels.
Elke spiegel was een confrontatie. Niet met mijn uiterlijk, maar met de blik in mijn eigen ogen. De blik van iemand die zichzelf niet meer vertrouwde.

 

De gedachten als cipiers.

Er kwam een moment waarop ik begon te begrijpen hoe genadeloos mijn gedachten konden zijn. Ze waren niet zomaar willekeurige stemmen. Ze waren wakers, cipiers, die toezicht hielden op elke stap die ik zette.

 

Ik kon mezelf straffen met herinneringen.
Met zinnen als messen.
Met een eindeloze herhaling van ‘waarom deed ik dat?’, ‘waarom ben ik zo?’, ‘wat als het nooit beter wordt?’

 

Ik dacht dat ik daarmee controle hield.
Dat als ik streng genoeg was, ik zou leren, verbeteren, groeien.
Maar dat was een leugen.
Ik was niet aan het groeien — ik was aan het overleven.

 

En zelfs dat lukte op een gegeven moment niet meer goed.

 

De bodem.

Iedere gevangenis heeft een diepste punt. De plek waar het donker het dichtst op je huid kruipt.
Voor mij was dat het moment waarop ik niet meer wist waarom ik opstond. Alles voelde zwaar — niet op de manier waarop vermoeidheid zwaar voelt, maar op de manier waarop leegte zwaar kan zijn.
Ik deed de dingen die moesten, maar ik voelde niets meer. Alsof mijn leven in zwart-wit was en ik ergens onderweg de kleur was kwijtgeraakt.

 

Ik herinner me één avond heel helder.
Ik zat op de grond van mijn kamer, het licht uit, mijn hoofd in mijn handen. En er was één gedachte die bleef rondzingen: ik kan hier niet uit.
Het was geen paniek meer, geen angst. Het was berusting.
Alsof ik eindelijk had geaccepteerd dat dit het was — mijn gevangenis, mijn straf, mijn leven.

 

Maar ergens, diep vanbinnen, klopte er iets kleins.
Iets dat nog niet dood was.
Misschien was het hoop. Misschien was het instinct.
Wat het ook was, het fluisterde zacht: wat als dit niet het einde is?

 

De eerste barst.

De eerste barst kwam niet door een groot inzicht of een inspirerend moment.
Hij kwam op een gewone dag.
Iemand vroeg hoe het met me ging, en in plaats van “goed” zei ik: “Ik weet het eigenlijk niet.”

 

Dat was alles.
Drie woorden.
Maar ze waren eerlijk. En eerlijkheid was iets wat ik mezelf al lang niet meer had toegestaan.

 

Het was alsof ik een klein kiertje in de muur had gemaakt.
En door dat kiertje kwam een beetje lucht naar binnen.

 

Vanaf dat moment begon er iets te verschuiven. Langzaam, bijna onmerkbaar.
Ik begon te merken dat ik niet mijn gedachten bén — ik héb gedachten.
Dat ze komen en gaan. Dat ze niet altijd waar zijn. Dat ik mag luisteren, maar niet altijd hoef te geloven.

 

De strijd met vrijheid.

Vrijheid is eng als je lang gevangen hebt gezeten.
Toen ik voor het eerst begon te voelen dat de muren dunner werden, voelde dat niet bevrijdend. Het voelde onveilig.
Want wat moest ik met al die ruimte?
Wat als ik het opnieuw verkeerd deed?
Wat als ik het niet kon dragen?

 

Mijn gedachten probeerden me terug te trekken. Ze zeiden: blijf hier, hier weet je tenminste wat je hebt.
Maar diep vanbinnen wist ik dat dat geen leven was. Dat was overleven in de schaduw.

 

Dus begon ik langzaam stappen te zetten.
Eerlijk praten.
Schrijven.
Voelen.
Ik leerde dat huilen geen zwakte is. Dat kwetsbaarheid geen nederlaag is. Dat schaamte alleen macht heeft zolang ik haar verstop.

 

Soms viel ik terug.
Soms voelde ik me opnieuw opgesloten.
Maar elke keer dat ik eerlijk durfde te zijn — naar mezelf, naar iemand anders — brak ik weer een stukje van de muur af.

 

Het leren leven met de stemmen.

De stemmen in mijn hoofd zijn niet verdwenen.
Ze fluisteren nog steeds af en toe dat ik niet genoeg ben, dat ik zal falen, dat ik anderen teleurstel.
Maar ik ken ze nu.
Ik weet dat ze niet de waarheid spreken, maar dat ze iets proberen te beschermen.
Ze zijn als wakers die ooit nodig waren — die me hielpen overleven in tijden dat ik geen andere manier had.

 

Nu praat ik terug.
Niet met woede, maar met begrip.
Ik zeg tegen ze: ik weet dat jullie me willen beschermen, maar ik heb het nu zelf in de hand.
Soms luisteren ze. Soms niet. En dat is oké.
Vrijheid betekent niet dat de stemmen verdwijnen; het betekent dat ze me niet meer beheersen.

 

De kracht van zachtheid.

Wat ik nooit had verwacht, was dat herstel niet kwam door harder te vechten, maar door zachter te worden.
Ik dacht altijd dat ik sterker moest zijn, dapperder, scherper.
Maar wat ik eigenlijk moest leren, was mildheid.
Mildheid naar mezelf, naar mijn fouten, naar mijn verleden.

 

Ik begon mezelf toe te spreken zoals ik tegen een vriend zou praten.
In plaats van: je bent zwak, zei ik: je hebt pijn, en dat is menselijk.
In plaats van: je had beter moeten weten, zei ik: je deed wat je kon met wat je wist toen.

 

Dat veranderde alles.

 

Ik begon weer kleur te zien. Niet in één keer, maar beetje bij beetje.
Een ochtendlicht dat warmer voelde.
Een liedje dat me raakte zonder dat het me brak.
Een glimlach die niet meer nep voelde.

 

De vrijheid van binnen.

Vandaag weet ik dat mijn gedachten niet mijn vijanden zijn.
Ze zijn delen van mij — verwarde, bange, soms luide delen — die gezien willen worden.
En elke keer dat ik ze durf aan te kijken, met open ogen en een open hart, smelten de tralies een stukje verder weg.

 

Er zijn nog dagen waarop ik de muren voel.
Dagen waarop ik weer in oude patronen glijd, waarin ik mezelf veroordeel, waarin ik vergeet hoe ver ik ben gekomen.
Maar ik weet nu dat dat oké is.
Herstel is geen rechte lijn. Het is een kronkelig pad met valkuilen, maar ook met uitzichten die ik nooit had gezien als ik niet was gevallen.

 

Ik ben niet vrij van mijn gedachten, maar ik ben vrij in mijn gedachten.
Dat is het verschil.
De muren bestaan nog ergens, maar ik weet nu dat de sleutel altijd in mijn eigen hand ligt.

 

Hoop.

Ik schrijf dit niet omdat ik alles opgelost heb.
Ik schrijf dit omdat ik weet dat er mensen zijn die nu zitten waar ik ooit zat — in de stilte, in het donker, denkend dat er geen uitweg is.

 

Maar er is altijd een uitweg.
Hij is niet spectaculair.
Hij begint klein — met eerlijkheid, met ademhalen, met hulp durven vragen, met drie woorden: “Ik weet het niet.”

 

En langzaam, heel langzaam, komt het licht weer naar binnen.

 

Ik ben niet meer de gevangene van mijn eigen gedachten.
Ik ben de bewoner van mijn eigen bewustzijn — met al zijn schaduw en licht.
En elke dag dat ik kies om te voelen, om te leven, om te blijven proberen,
wordt mijn hoofd een beetje minder een gevangenis,
en een beetje meer een thuis.

 

Afsluitende vraag:

Herken jij dat gevoel - dat je soms vastzit in je eigen hoofd? En wat zou jouw eerste kleien stap kunnen zijn om weer een stukje vrijheid te voelen?

 

Veel liefs,

Femke 💚

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.