Wanneer het donker vertrouwd voelt

Gepubliceerd op 3 november 2025 om 21:00

"Er is een moment waarop donker niet meer alleen donker is."

Niet meer het tegenovergestelde van licht, niet meer de schaduw waar je bang voor bent als kind.
Er komt een punt waarop het donker voelt als thuis — niet omdat het veilig is, maar omdat je het te lang hebt aangekeken om nog te schrikken.
Dat punt heb ik bereikt. En soms, als ik eerlijk ben, verlang ik er nog steeds naar terug.

 

Ik weet niet precies wanneer het begon.
Misschien was het niet één moment, maar een langzaam wegglijden.
Een reeks kleine keuzes, telkens net te klein om als fout te voelen.
Een biertje na het werk, een lijntje op een feestje, een pilletje om te vergeten dat ik moest slapen.
Het begon met het idee dat ik controle had.
Ik zei tegen mezelf: “Ik weet wat ik doe.”
Dat is wat iedereen zegt, tot het moment dat je het niet meer weet.

 

Het donker kwam niet als een storm.
Het kwam als een sluier.
Zacht, bijna vriendelijk.

 

Het trok over mijn dagen heen zonder dat ik het doorhad.
Eerst verdween mijn ochtend — te brak, te moe, te weinig zin om te beginnen.
Toen verdween mijn avond — te druk bezig met verdoven, vergeten, verdwijnen.
Tot uiteindelijk de tijd zelf niets meer betekende.
Dagen vloeiden in elkaar over als inkt in water.

 

Ik had mensen om me heen.
Vrienden, familie, collega’s die vroegen hoe het ging.
Ik had antwoorden klaar. Altijd dezelfde.
“Goed joh, druk bezig.”
“Even een zware week.”
“Komt wel weer goed.”
Maar wat ik eigenlijk bedoelde was: ik weet niet meer wie ik ben als ik nuchter ben.
En dat zeg je niet aan de keukentafel.

 

Er is iets pervers geruststellends aan verslaving.
Het geeft je ritme.

 

Een reden om op te staan, een reden om door te gaan.
Een vaste volgorde: wakker worden, verdoven, vergeten, slapen.
Je hoeft niet na te denken over morgen, want morgen is hetzelfde als vandaag.
En dat is precies wat ik wilde — geen morgen.

 

De wereld werd te scherp.
Iedere gedachte had randen.
Elk gevoel had tanden.
De stilte was te luid en mijn hoofd te vol.
Dus draaide ik de volumeknop van mijn leven omlaag.
Eerst een beetje. Toen steeds verder.
Tot er bijna niets meer overbleef.

 

Soms denk ik dat ik verslaafd raakte aan het verdwijnen zelf.
Aan dat gewichtloze gevoel van niet hoeven voelen.
Aan het gemak van niets.
Het donker werd een plek waar ik mezelf niet hoefde uit te leggen.
Niemand verwacht iets van je als je verdwijnt.
Niemand vraagt wat je plannen zijn als je geen plannen hebt.
En ergens, diep vanbinnen, voelde dat als rust.

 

Maar donker houdt je niet vast.
Het laat je vallen, telkens weer.
Er is geen bodem, alleen val.
En je leert ermee leven — dat eeuwige vallen — tot je vergeet dat er een wereld is waarin mensen wél landen.
Ik vergat hoe het voelde om wakker te worden zonder spijt.
Ik vergat hoe het was om echt iets te willen.
Ik vergat mezelf, beetje bij beetje, tot er alleen nog de drang was.

 

Ik dacht altijd dat verslaving ging over zwakte.
Dat het een kwestie was van karakter, van willen stoppen en gewoon dóen.
Maar het is niet zo simpel.
Verslaving is een taal die je leert spreken zonder dat je het merkt.
Het is een fluistering die zegt: één keer nog, je hebt het verdiend.
En die stem wordt zo vertrouwd dat stilte onverdraaglijk wordt.

 

De eerste keer dat ik probeerde te stoppen, dacht ik dat het een kwestie van discipline was.
Ik gooide alles weg, zweette het eruit, beet op mijn kiezen.
Na drie dagen voelde ik me leeg — maar niet op de goede manier.
Ik dacht: dit is het gat waar de drugs in zaten.
Wat ik niet wist, was dat het gat ouder was dan mijn gebruik.
Het zat er altijd al, ik had het alleen even niet meer gezien.

 

Dat was misschien het engste inzicht:
dat de verslaving niet het probleem was, maar het antwoord.
Een slecht, vernietigend, maar wel effectief antwoord.
Een manier om te ontsnappen aan iets dat ik niet durfde aankijken.
Schaamte. Eenzaamheid.
Het gevoel dat ik nooit genoeg zou zijn, wat ik ook deed.

 

Wanneer je diep genoeg in het donker zit, begin je licht te wantrouwen.
Licht voelt onterecht.
Alsof het niet voor jou bedoeld is.
Mensen zeggen: “Je verdient beter.”
Maar wat als je dat niet gelooft?
Wat als beter voelt als een leugen, en donker de enige waarheid is die nog klopt?

 

Ik herinner me een nacht waarop ik dacht dat ik het niet meer zou redden.
Alles was op. Mijn lichaam, mijn geld, mijn leugens.
Ik lag op de vloer van mijn kamer, de gordijnen dicht, de wereld buiten ver weg.
Er was geen geluid, geen hoop, alleen een vreemd soort helderheid.
Ik dacht: Misschien is dit het dan. Misschien is dit de rust waar ik al die tijd naar op zoek was.
En in die gedachte zat iets afschuwelijks, maar ook iets kalms.

 

Ik zou willen zeggen dat er toen iets wonderlijks gebeurde — een openbaring, een stem, een lichtstraal door de gordijnen.
Maar dat is niet hoe het ging.
Wat er gebeurde, was kleiner.
Ik voelde mijn hart kloppen.
En voor het eerst in maanden dacht ik: ik leef nog.
Dat was het.
Geen heroïsch moment. Geen redding. Gewoon een hartslag.
En dat kleine, domme feit was genoeg om op te staan.

 

Herstel is geen rechte lijn.
Het is vallen, opstaan, schreeuwen, liegen, eerlijk zijn, opnieuw beginnen.
Het is leren leven zonder je favoriete wapen.
Het is leren voelen zonder verdoving.
En dat is rauw.

Mensen praten over nuchter worden alsof het een overwinning is.
Maar in het begin voelt het meer als verlies.
Je verliest je schuilplaats, je verliest je ritueel, je verliest de versie van jezelf die wist hoe hij moest overleven — hoe destructief die ook was.

 

De dagen worden lang als je stopt.
De nachten nog langer.
Er is geen excuus meer om niet te voelen.
Je kijkt naar jezelf in de spiegel en ziet een mens die niet weet hoe hij moet leven.
Een mens die opnieuw moet leren wat normaal is: ontbijten, ademen, eerlijk antwoorden als iemand vraagt hoe het gaat.

 

Ik leerde dat donker niet verdwijnt als je stopt.
Het blijft, maar het verandert van vorm.
Het wordt niet langer een vijand, maar een herinnering.
Soms kruipt het nog steeds naar binnen — op stille ochtenden, of wanneer ik te veel denk.
Dan voel ik de verleiding van dat oude, zachte niets.
Maar ik weet nu dat het niets is wat mij uiteindelijk heeft gebroken.

 

Ik ben niet trots op mijn verleden, maar ik schaam me er ook niet meer voor.
Dat heeft tijd gekost.
Ik moest leren dat eerlijkheid geen zwakte is.
Dat toegeven dat je gevallen bent, niet betekent dat je faalt.
Dat er kracht zit in kwetsbaarheid — niet het soort kracht dat je schreeuwt, maar het soort dat fluistert: ik ben er nog.

 

Soms mis ik het donker nog steeds.
Niet de pijn, niet de vernieling, maar de stilte ervan.
De manier waarop het me omsloot, hoe het alles dempte.
Het was een vertrouwd vacuüm.
Maar ik weet nu dat stilte ook zonder vernietiging kan bestaan.
Dat rust niet hetzelfde is als verdoving.

 

Er zijn dagen dat ik wakker word en het gevoel heb dat ik opnieuw leer leven.
Ik merk dingen op die ik vroeger niet zag — de geur van koffie, het geluid van regen, de trilling van muziek in mijn borst.
Kleine dingen, die niets lijken te betekenen, maar dat zijn de dingen die me eraan herinneren dat ik besta.
Dat ik hier ben. Dat ik leef, zonder iets nodig te hebben om dat te voelen.

 

Ik denk vaak aan dat woord — vertrouwd.
Het donker voelde vertrouwd, ja.
Maar vertrouwd is niet altijd goed.
Soms blijven we bij wat we kennen, zelfs als het ons vernietigt.
Omdat onbekend nog enger is dan pijn.
Ik heb geleerd om dat gevoel te wantrouwen.
Om niet te vluchten naar wat vertrouwd voelt, maar te blijven bij wat echt is, hoe rauw ook.

 

Misschien is dat groei: niet het licht omarmen, maar leren zitten in het grijze midden.
Niet vluchten voor de schaduw, maar hem aankijken en zeggen: ik ken je, maar je bepaalt me niet meer.

 

Ik zal het donker nooit haten.
Het heeft me kapotgemaakt, ja, maar het heeft me ook eerlijk gemaakt.
Het heeft me laten zien wie ik ben als alles wegvalt.
En dat is iets wat licht nooit had kunnen doen.

 

Dus wanneer het donker nu komt — en het komt nog steeds —
voelt het niet meer als thuis, maar als bezoek.
Ik laat het binnen, even.
We zitten samen in stilte.
En als het tijd is, laat ik het weer gaan.

 

Ik weet nu dat het donker nooit helemaal verdwijnt.
Het leeft ergens in mij, stil en geduldig.
Maar het bepaalt me niet meer.
Ik hoef het niet te verjagen, ik hoef het alleen te herkennen — en te blijven ademen.

 

Er is kracht in blijven.
In niet meer vluchten.
In jezelf aankijken, zelfs op dagen dat alles in je schreeuwt om te verdwijnen.

 

Het donker voelt soms nog vertrouwd, maar ik kies er niet meer voor om er te wonen.
Ik bouw mijn leven stukje bij beetje terug in het schemerlicht — daar waar het zacht is, waar waarheid en hoop tegelijk kunnen bestaan.

 

En misschien is dat wat herstel echt is:
niet het vinden van licht, maar leren leven met wat ooit te donker leek.

 

Veel liefs,

Femke