Vechtmodus – overleven, niet leven

Gepubliceerd op 27 oktober 2025 om 21:00

"Er was een tijd dat ik dacht dat ik gewoon sterk was."

Altijd doorgaan, niet zeuren, schouders eronder, want dat was wat je deed.
Dat was wat ik moest doen.
Sterk zijn.
Ik droeg het bijna als een medaille, alsof het iets was om trots op te zijn.
Totdat ik op een dag besefte dat ik al die tijd helemaal niet aan het leven was.
Ik was aan het overleven.
En dat is iets heel anders.

 

Ik weet niet precies wanneer dat begon. Misschien begon het met een paar scheurtjes. Kleine dingen. Momenten waarop ik iets voelde wat ik niet wilde voelen, en besloot: “nu niet.”
En dat “nu niet” werd een gewoonte.
Elke keer dat het te veel werd, drukte ik het weg.
Tot ik het niet eens meer doorhad.

 

Van buiten leek het allemaal goed te gaan.
Ik functioneerde. Ik deed wat ik moest doen.

Ik lachte, maakte grapjes, was “die sterke persoon” die anderen konden bellen als het moeilijk werd.
Maar diep vanbinnen was ik leeg.
Een soort doffe stilte.
Alsof ik op automatische piloot door het leven ging, zonder echt aanwezig te zijn.

 

Mijn lichaam stond altijd aan.
Ik voelde me constant gespannen, alsof ik elk moment iets moest oplossen of voorkomen.
Ik sliep slecht. Mijn gedachten draaiden door, eindeloze rondjes zonder einde.
Ik voelde nooit echt rust. Zelfs niet op de momenten dat ik dacht dat ik het had verdiend.

 

Ik hield mezelf voor dat het gewoon “drukte” was.
Dat het wel weer over zou gaan.
Dat iedereen zich soms zo voelt.
Maar ergens wist ik dat het niet klopte.
Er zat iets diepers onder.
Iets dat ik niet durfde aan te kijken.

 

Ik had mezelf aangeleerd om altijd te vechten.
Voor liefde, voor aandacht, voor waardering, voor rust.
En als ik dat niet kreeg, dan vocht ik gewoon harder.
Het was alsof ik voortdurend in een oorlog zat — alleen was er geen vijand.
Ik was zelf het slagveld geworden.

 

Ik probeerde controle te houden over alles.
Over wat ik deed, over hoe ik me voelde, over wat anderen van me dachten.
Ik was bang voor chaos, bang om de grip te verliezen.
Maar juist dat constante proberen te controleren was wat me kapot maakte.

 

Overleven werd een gewoonte.
Ik wist niet meer hoe ik moest leven zonder strijd.
Ik voelde me verloren als ik niet aan het rennen was, alsof ik pas bestond als ik vocht.
Rust voelde gevaarlijk.
Stilte voelde bedreigend.

 

Dus bleef ik bezig.
Altijd iets om handen, altijd iemand om te helpen, altijd een doel om te bereiken.
Zolang ik bezig was, hoefde ik niet te voelen.
Zolang ik vocht, hoefde ik niet stil te staan bij wat er vanbinnen speelde.

 

Maar het breekt je op, dat constante gevecht.
Langzaam. Onzichtbaar.
Tot er niets meer overblijft dan uitputting.

 

Ik herinner me nog goed het moment dat ik besefte dat het niet meer ging.
Ik stond op een ochtend op, keek in de spiegel en dacht:
Ik weet niet meer wie dat is.
De ogen keken me aan, maar ze waren dof.
Er zat geen leven in.
Alle kleur was eruit.
Ik deed nog alles wat ik moest doen, maar ik voelde niks meer.
Geen blijdschap, geen verdriet, geen woede.
Niks.
Gewoon leeg.

 

Dat was mijn breekpunt.
Niet omdat er iets groots gebeurde, maar juist omdat er niks meer over was.
Ik kon niet meer.
Niet fysiek, niet mentaal, niet emotioneel.
Ik was op.

 

Ik probeerde nog even door te gaan,
zoals ik dat altijd had gedaan.
Nog even volhouden.
Nog één dag.
Nog één week.
Nog één keer sterk zijn.
Maar het werkte niet meer.

 

Mijn lichaam begon tegen me te schreeuwen.
Ik kreeg paniekaanvallen.
Mijn hart bonkte alsof het wilde ontsnappen uit mijn borst.
Ik trilde, sliep amper, kon me nergens op concentreren.
Het was alsof mijn lijf zei: genoeg.

 

En ik luisterde eindelijk.
Niet omdat ik dat wilde, maar omdat ik niet meer anders kon.

De stilte die toen kwam, was angstaanjagend.
Want ineens was er niks meer om me achter te verschuilen.
Geen werk, geen afleiding, geen prestatie.
Alleen ik.
En dat was misschien wel het engste van alles.

 

Ik moest leren om stil te zijn.
Om te luisteren naar mezelf.
Om weer te voelen.
En dat voelde alsof ik opnieuw moest leren ademen.

 

De eerste tijd was zwaar.
Alles wat ik jarenlang had weggestopt, kwam in golven terug.
Verdriet, woede, schaamte, gemis, eenzaamheid.
Het kwam allemaal tegelijk.
Soms dacht ik dat ik zou verzuipen in mijn eigen gevoelens.

 

Maar ergens, tussen al die chaos, begon iets zachts te groeien.
Een soort eerlijkheid.
Een stem die fluisterde: je hoeft niet meer te vechten.
En ik wilde haar geloven, maar dat lukte niet meteen.
Want vechten was wat ik kende.
Zonder strijd voelde ik me niemand.

 

Langzaam begon ik te ontdekken wat leven eigenlijk betekent.
Niet groot of bijzonder, maar klein.
Eenvoudig.
Echt.

 

Leven is een kop koffie drinken zonder haast.
Een wandeling maken zonder doel.
Ademen zonder spanning in je borst.
Een gesprek voeren waarin je niet doet alsof.
Het zijn van die kleine dingen die ik jarenlang niet meer had gevoeld.

 

Ik begon mezelf te leren kennen zonder al die lagen van overleven.
Zonder het masker van “ik red me wel”.
En dat deed pijn.
Want daaronder zat niet alleen rust, maar ook verdriet.
Verdriet over alles wat ik mezelf had aangedaan,
en over alles wat ik had gemist terwijl ik bezig was met overleven.

 

Soms dacht ik: waarom nu pas?
Waarom kon ik dit niet eerder zien?
Maar ik weet nu dat het niet eerder kon.
Ik had eerst moeten vechten om te kunnen beseffen dat ik het niet meer wilde.

 

Ik ben nog steeds niet ‘klaar’.
Ik denk dat niemand dat ooit echt is.
Soms schiet ik nog terug in die oude stand.
Ik voel het aan mijn adem, aan mijn schouders die vastzitten, aan dat stemmetje dat fluistert: doorgaan, niet zeuren, sterk zijn.
En dan weet ik het weer.
Ik zit weer in vechtmodus.

 

Maar het verschil is: nu herken ik het.
Nu kan ik kiezen om even stil te blijven staan.
Om mijn adem te volgen in plaats van mijn angst.
Om te voelen in plaats van te vluchten.

 

Ik ben gaan begrijpen dat overleven me ooit heeft geholpen.
Het was een bescherming.
Een overlevingsmechanisme dat me door moeilijke tijden heeft getrokken.
Maar wat ooit bescherming was, werd een gevangenis.
En het kost tijd om daaruit te komen.

 

Soms ben ik nog bang voor rust.
Rust voelt nog steeds vreemd, bijna onwennig.
Alsof er iets mis is als ik niks hoef te doen.
Maar ik leer om het toe te laten.
Om mezelf te laten zakken in dat onbekende,
zonder te denken dat ik iets moet fixen.

 

Ik leer dat ik niet kapot ben.
Dat ik niet zwak ben omdat ik moe ben.
Dat ik niet mislukt ben omdat ik even niet vecht.
Ik leer dat ik gewoon mens ben.
En dat dat genoeg is.

 

Er zijn dagen dat ik terugval,
dagen dat ik me weer verlies in de drang om alles onder controle te houden.
Maar ik veroordeel mezelf er niet meer om.
Ik weet nu dat groei niet rechtlijnig is.
Soms ga je twee stappen vooruit en drie terug.
En dat is oké.

 

Ik ben zachter geworden.
Niet omdat het makkelijk is,
maar omdat hard zijn me niks meer oplevert.
Zachtheid vraagt moed.
Het vraagt dat je durft te blijven staan zonder pantser.
En dat is misschien wel de grootste vorm van kracht die er is.

 

Als ik mensen ontmoet die nog midden in hun eigen vechtmodus zitten,
zie ik het meteen.
De gespannen schouders, de glimlach die iets probeert te verbergen,
de ogen die te alert zijn.
Ik herken het, want ik was daar ook.
En ik zou willen zeggen: je hoeft niet te blijven vechten.
Maar ik weet dat het niet zo werkt.
Je stapt er pas uit als het niet anders meer kan.

 

Toch hoop ik dat wie dit leest,
zich herkent in dat kleine stukje moeheid.
Niet als iets slechts, maar als een teken.
Een teken dat je lichaam klaar is om iets anders te proberen.
Dat je misschien niet meer wilt overleven, maar wilt léven.

 

Ik ben nog onderweg.
Ik heb geen mooi einde, geen afgerond hoofdstuk.
Er is geen ‘happy end’.
Maar er is wel iets anders gekomen:
rust.
Niet altijd, niet constant, maar genoeg om te weten dat ik besta.

 

Ik leef.
Niet perfect, niet vlekkeloos, maar echt.
Ik adem, ik voel, ik val, ik sta weer op.
En dat is leven.

 

Vechtmodus heeft me lang in zijn greep gehouden.
Hij heeft me door veel heen gesleept, maar ook veel afgenomen.
Nu leer ik stap voor stap hoe het is om te zijn zonder strijd.
Om te leven, niet te overleven.
En dat voelt kwetsbaar.
Maar ook vrij.

 

Als jij dit leest en herkent wat ik beschrijf, weet dan dat je niet alleen bent.
Dat vechtmodus iets is waar velen van ons ooit in vastzitten, op een manier die je bijna normaal gaat vinden.
Het betekent niet dat je zwak bent. Het betekent dat je hebt geprobeerd te overleven.
En soms is overleven de enige manier om door te gaan.

 

Je hoeft vandaag niet alles te veranderen.
Je hoeft jezelf niet meteen te repareren of te begrijpen.
Het begint met het herkennen van wat er is.
Het begint met het toelaten van rust, met het voelen van wat je hebt weggestopt, met het durven zijn.

 

Er is geen rechte lijn, geen snel herstel, geen magische oplossing.
Maar er is iets dat telt: je bent hier nog.
Je ademt. Je voelt. Je bent aanwezig.
En dat is genoeg om mee te beginnen.

 

Langzaam, stukje bij beetje, kun je leren hoe het is om te leven in plaats van te overleven.
Niet perfect, niet zonder vallen, maar echt.
En dat is al heel wat.

 

Veel liefs,

Femke 💚