Op een gegeven moment was ik de tel kwijt.
Ik wist niet meer hoe lang ik al wakker was. Welke dag het was in de week. Alles draaide om alcohol, drugs, verbloemen voor mijn familie, vrienden - en het vinden van nieuwe voorraad. Geld was er nauwelijks, ik werkte wel 32u in de week. Het geld wat ik dus had, ging direct op aan gebruik. Ik loog over het eten: ‘nee ik heb al gegeten’. ‘Oh, ik eet straks wel, nu geen honger’. Als ik onder invloed was, had ik geen honger. Eten was voor mij een bijzaak. Dagenlang niks eten..
Mijn wereld werd steeds kleiner, vrienden verdwenen. Werk had ik niet meer. Familie belde wel, maar ik nam niet op. Ik was onder invloed. Ik schaamde mij en die schaamte nam de overhand.
Ik duwde iedereen waarvan ik hield. Ik zat zo erg in de put om echt nog iets te voelen. Alles ging langs me af. Alleen die negatieve en de verslaving hoorde ik maar al te goed.
Femke, je bent het niet waard. Zie je nu wel, je maakt alles kapot.
‘Oh nog een keer, en dan stop ik, dan vertel ik het mijn familie dat ik een probleem heb. Dat ik hulp nodig heb.’
Ik loog. Ik wilde niet liegen, maar wilde niemand anders laten zien dat het niet goed met mij ging, dus ik loog. Tegen anderen, maar vooral tegen mezelf.
Ik praatte het goed, het gebruik. Ik moest de pijn verdoven die ik voelde, en dat kon alleen zo.
De spiegel werd mijn vijand. Ik keek naar mijn mezelf en zag geen Femke meer. Mijn lichaam, dun en uitgeput. Toch bleef ik doorgaan. Alsof ik wilde vluchten voor wie ik zag in de spiegel - en de enige plek waar ik echt niks kon voelen was in die roes.
Verloren. Niet alleen in middelen, telefoon maar in mezelf.
Ik was geen mens meer, ik was het overleven. Ik wilde het leven niet stopten, want ik was geen opgever. Alleen die belofte met mezelf om er geen eind aan te maken, was soms ook ver te zoeken.
Ik schaam me op te zeggen, die pogingen heb ik wel gedaan.
Zo verloren in het donker.