Masker op, en niet meer afzetten.
Aan de buitenkant leek alles oké. Ik lachte op foto’s, maakte hier en daar een praatje. Ik deed wat er van mij werd verwacht, en zei op automatische piloot: ‘Het gaat goed met mij’.
Maar diep vanbinnen was het stil. Niet de rustgevende stilte van vrede, maar de verstikkende stilte van de onbewuste weggedrukte herinneringen, emoties of gedachtes.
Een leegte die ik niet kon benoemen, alleen verdoven…
Wat begon als een manier om te ontspannen - een glas, een scherm, een sigaret, drugs - werd langzaam een gewoonte. En die gewoonte werd een noodzaak. Iets waar ik naar greep zodra het moeilijk werd.
Ik was er nog, maar ook weer niet. Aanwezig, maar onbereikbaar - zelfs ook voor mezelf.
Verslaving sluipt niet binnen als een storm. Nee, het komt als fluistering. En voor je het weet, is de glimlach een masker geworden.