Week 27-10 t/m 2-11

Gepubliceerd op 31 oktober 2025 om 21:00

"Rennen, stilstaan en alles wat daartussen zit."

Maandag begon zoals zóveel maandagen beginnen: met werken. Op papier een gewone dag, maar in mijn hoofd voelde alles een beetje zwaarder dan normaal. Misschien lag dat aan het vroege opstaan, of aan het idee dat ik na mijn werkdag nog van alles moest doen. Er was een invaller op het werk — op zich niet erg, maar het haalde me een beetje uit mijn ritme. Dat kleine stukje controle dat ik vaak probeer vast te houden, glipte uit mijn vingers. Toch deed ik mijn best om het luchtig te houden, glimlachte ik, en deed wat er gedaan moest worden.

 

Na mijn werk moest ik me haasten. Echt haasten. Ik stapte op de fiets en voelde meteen die bekende spanning in mijn lijf: te weinig tijd, te veel moeten. De lucht was koud, het verkeer druk. Ik trapte zo hard als ik kon, want ik moest op tijd zijn voor mijn intake bij de fysio, en daarna had ik ook nog extra danstraining. Het voelde alsof ik weer even in mijn oude ritme zat — dat rennen, dat gejaagde, dat “nog even volhouden tot vanavond”. Ik dacht dat ik dat wel aankon, dat ik sterker was geworden, maar mijn lichaam dacht daar anders over.

 

De dagen erna betaalde ik de prijs. Hoofdpijn, buikpijn, vermoeidheid die als een natte deken over me heen lag. Ik lag op bed en alles voelde zwaarder dan het was. Mijn hoofd tolde, mijn buik protesteerde, en mijn gedachten werden luider dan me lief was. Ik probeerde mezelf wijs te maken dat het gewoon oververmoeidheid was — en dat was het ook deels — maar ergens wist ik dat er meer speelde. De verhuizing bijvoorbeeld. Alleen al dat woord maakt iets in me los. Veranderen, loslaten, opnieuw beginnen. Het is iets waar ik naar verlang, maar ook bang voor ben. Want elke verandering haalt oude onrust omhoog.

 

Terwijl ik daar lag, met de gordijnen half dicht en mijn telefoon op stil, kwam er van alles voorbij in mijn hoofd. Herinneringen, gedachten, twijfels. De ene minuut dacht ik: stel ik me niet aan, Femke? Je kan toch gewoon gaan werken? En de volgende minuut was ik boos op mezelf dat ik überhaupt zo dacht. Want ergens weet ik dat rust nemen oké is, dat het zelfs nodig is. Maar dat stemmetje van vroeger — dat kritische, ongeduldige stemmetje dat zegt dat ik altijd moet presteren — dat is hardnekkig.

 

Soms komt dat stemmetje in hetzelfde fluistertempo als toen ik nog gebruikte. Die stem die zei dat ik pas iets waard was als ik doorging, als ik iets voelde, als ik iets deed. En dat gevoel, dat ik nu gewoon even niets kon doen, bracht die oude patronen weer even dichtbij.

Femke op avontuur

Toen ik me verveelde, pakte ik mijn telefoon erbij. Slecht idee, maar soms wil je gewoon even afleiding. Ik scrolde wat door Snapchat en kwam een oud privéverhaal tegen met de titel “Femke op avontuur.” Ik moest lachen — een beetje wrang, een beetje verdrietig. Dat “avontuur” was destijds mijn manier om mijn gedrag te romantiseren. Alsof ik iets spannends deed, alsof ik vrijheid zocht. Maar dat avontuur was helemaal geen avontuur. Het was eerder een vlucht.

 

Ik weet nog hoe ik me voelde in die tijd: leeg, maar vol adrenaline. Alsof ik steeds een sprong in het diepe maakte, maar zonder te weten of er water onder me zat. En meestal zat er niets. Vaak eindigde het met schuldgevoel, met tranen, met woede op mezelf. Toch bleef ik die verhalen posten, bleef ik lachen op foto’s, bleef ik doen alsof ik in controle was. Misschien omdat toegeven dat ik niet in controle was, te pijnlijk was.

 

Nu, jaren later, zie ik die oude beelden en voel ik vooral compassie. Niet alleen schaamte, maar ook medelijden met dat meisje dat dacht dat ze avontuur nodig had om te voelen dat ze leefde. Want eigenlijk zocht ik gewoon rust. Ik wist alleen niet waar ik moest zoeken.

De spiegel

De dagen in bed waren lang. Buiten was het koud, binnen stond de verwarming hoog. Mijn neus begon te schraal te worden van het snuiten — rood, pijnlijk, kapot. Een klein, banaal detail, maar toen ik in de spiegel keek, raakte het me. Want ik herkende iets. Die rode, droge huid, die doffe blik, dat vermoeide gezicht… het leek op de Femke van vroeger. De Femke uit de tijd van gebruik.

 

En dat beeld was confronterend. Ik dacht dat ik dat hoofdstuk allang had afgesloten. Maar daar stond ik dan, oog in oog met mezelf, en ineens voelde ik die oude schaamte weer opkomen. Niet omdat ik nu iets fout deed, maar omdat ik zag wat het herstel soms nog steeds met zich meebrengt: dat oude beelden zich blijven herhalen, vooral op momenten dat ik me kwetsbaar voel.

 

Ik raakte even met mijn vingers mijn neus aan, zachtjes, en ik dacht: zo zag ik eruit toen ik mezelf verloor. En dat deed pijn. Maar tegelijk dacht ik ook: zo zie ik eruit terwijl ik probeer mezelf terug te vinden. En dat is een groot verschil.

Stilte, schuld en herinnering

De dagen daarna verliepen langzaam. Ik probeerde wat te lezen, maar mijn gedachten dwaalden steeds af. Dan lag ik maar weer te staren naar het plafond. Soms kwamen er tranen zonder duidelijke reden. Soms moest ik glimlachen om een herinnering, en dan voelde het even lichter.

Herstellen is niet alleen loslaten van wat fout ging, het is ook leren verdragen wat er overblijft. Die stilte bijvoorbeeld. De stilte waarin niets gebeurt, waarin niemand iets van je wil, waarin je gewoon bent. Die stilte voelt soms ondraaglijk, juist omdat ik vroeger altijd iets deed om haar te vullen. En nu, zonder die afleiding, hoor ik alles. Mijn gedachten, mijn schuldgevoelens, mijn lichaam dat moe is.

 

Ik dacht ook veel aan de verhuizing. Hoe ik binnenkort mijn spullen moet inpakken, oude dingen tegenkom, herinneringen die weer openbreken. Verhuizen betekent ruimte maken, maar ook afscheid nemen. En ik merk dat ik daar moeite mee heb. Niet omdat ik niet verder wil, maar omdat elk afscheid me herinnert aan alle keren dat ik opnieuw moest beginnen — vaak niet uit keuze, maar uit noodzaak.

Vrijdag

Tegen vrijdag voelde ik me iets beter. Niet helemaal fit, maar beter. Ik besloot om weer te gaan werken. Niet omdat het moest, maar omdat ik wilde voelen dat ik weer iets kon. Het ging verrassend goed. Ik voelde me nuttig, aanwezig, deel van iets. En dat deed me goed. Soms heb ik gewoon even een bewijs nodig dat ik het nog kan, dat ik niet meer dat meisje ben dat alles laat vallen zodra het zwaar wordt.

 

Na het werk was ik moe, maar voldaan. Dat soort vermoeidheid is anders — het is geen uitputting, maar eerder een teken van leven. Alsof mijn lichaam zegt: zie je wel, het kan nog steeds.

Zaterdag

Zaterdag begon rustig. De lucht was grijs, de dag stil. Ik zette muziek op en begon wat spullen uit te zoeken voor de verhuizing. Kleding, papieren, kleine spullen die zich in hoekjes hadden verstopt. Terwijl ik de kratten vulde, kwam ik dingen tegen uit verschillende fases van mijn leven. Foto’s, notities, een oud schrift met gedachtes van toen ik nog midden in mijn verslaving zat.

 

Ik bladerde erin. Zinnen vol chaos, wanhoop, maar ook hoop. Ik kon bijna voelen hoe het toen was: het verlangen om iets te veranderen, de angst dat ik het niet kon. En nu zat ik hier, jaren later, nog steeds in beweging, nog steeds groeiend. Niet perfect, maar wél verder.

 

Het deed me goed om dat te beseffen. Soms vergeet ik hoe ver ik eigenlijk gekomen ben, omdat ik vooral kijk naar waar ik nog naartoe wil. Maar op dat moment, tussen die dozen en kratten, voelde ik even trots. Kleine, zachte trots.

Zondag

Morgen ga ik bij mama wassen. Dat klinkt als iets kleins, iets alledaags. Maar eerlijk? Dat zijn de momenten die me het meest raken. Die kleine dingen die me verbinden met mijn oude thuis, met mijn moeder, met eenvoud. Wassen bij mama is niet alleen praktisch — het is een stukje veiligheid. Een plek waar ik even niet hoef te presteren, waar ik gewoon mag zijn.

 

Ik weet dat de komende weken druk worden met de verhuizing. Dat er dagen zullen zijn waarop de stress toeneemt en ik weer even wil vluchten in mijn hoofd. Maar ik probeer mezelf eraan te herinneren: ik hoef niet te rennen. Ik mag ook stilvallen.

 

Als ik terugkijk op deze week, zie ik vooral contrast. Rennen en stilstaan. Sterk voelen en breekbaar zijn. Herinneren en loslaten. En ergens daartussen, heel voorzichtig, groeit iets wat ik lang kwijt was: zachtheid.

 

Ik begin te leren dat herstel niet alleen gaat over niet meer gebruiken, maar over eerlijk durven zijn. Over herkennen wanneer ik te veel van mezelf vraag. Over accepteren dat ik niet altijd productief of blij of “in balans” hoef te zijn. Soms is het genoeg om te ademen, te voelen, en te weten: ik ben hier nog.

 

Ik weet dat ik nog steeds kan terugvallen in oude gedachten — dat ik soms denk dat ik niet goed genoeg ben, of dat ik iets moet bewijzen. Maar dan denk ik terug aan die dag in de spiegel. Aan dat gezicht met die kapotte neus, dat vermoeide lijf, die ogen die zoveel hebben gezien. En ik weet: dat gezicht is van iemand die overleefd heeft. Van iemand die blijft proberen.

 

Deze week was niet mooi in de traditionele zin. Er waren geen grote successen, geen nieuwe hoogtepunten. Maar er was groei. Stil, langzaam, echt. En misschien is dat wel het meest waardevolle soort groei dat er is.

 

Ik eindig de week met een hoofd dat nog een beetje bonkt, een lijf dat moe is, maar een hart dat zachter voelt. En ergens, diep vanbinnen, hoor ik een stemmetje — niet dat oude, kritische stemmetje, maar een nieuwe, kalme stem die fluistert:

 

"Je bent er nog, en dat is genoeg."

 

~ Welke herinneringen of gedachten uit je verleden kwamen deze week bij je omhoog, en wat hebben ze je laten voelen over wie je nu bent?

 

Veel liefs,

Femke