"Maar ik draag het wel elke dag".
Niet als excuus en ook niet als iets dat ik wil uitwissen. Ontkennen heeft me bijna kapotgemaakt. Dus nee, ik doe niet alsof het er niet was. Ik kijk ernaar, omdat wegkijken me dieper de afgrond in trok.
Verslaving leefde niet alleen in wat ik gebruikte. Het leefde in hoe ik zweeg. In hoe ik mezelf inhield. In hoe ik bleef doorgaan terwijl ik vanbinnen al lang wist dat ik mezelf aan het verliezen was. Ik hield mezelf overeind door te doen alsof het me niets deed, alsof ik sterker was dan ik was, alsof ik controle had. Maar controle was een leugen die ik nodig had om te kunnen blijven vluchten.
Het pijnlijkste om toe te geven is misschien wel dit: ik wist het altijd. Ik wist het wanneer ik loog, wanneer ik halve waarheden vertelde, wanneer ik mezelf recht praatte om nog één keer te gebruiken, nog één keer te verdoven, nog één keer niet te hoeven voelen. Ik wist het wanneer ik in de spiegel keek en iemand zag die ik niet wilde zijn, maar waarvan ik ook niet meer wist hoe ik ervan weg moest.
Verslaving maakte mijn wereld klein. Niet in één klap, niet spectaculair, maar langzaam. Steeds minder ruimte voor eerlijkheid. Steeds minder ruimte voor anderen. Steeds minder ruimte voor mezelf.
Ik praatte veel, maar ik zei niets. Ik hield gesprekken veilig en oppervlakkig, want als ik echt zou zeggen wat er speelde, zou ik moeten stoppen met vluchten. En stoppen voelde niet als herstel. Stoppen voelde als verdwijnen. Dus ik bleef doorgaan. Niet omdat ik niet wilde veranderen, maar omdat ik geen idee had wie ik zou zijn zonder alles wat me verdoofde. Zwijgen werd mijn tweede verslaving. Schaamte mijn blok aan mijn been. En hoe langer ik zweeg, hoe zwaarder alles werd.
Er was geen groot moment waarop alles instortte. Geen sirenes. Geen drama. Alleen een stille gedachte die steeds vaker terugkwam: als dit mijn leven blijft, dan voelt zelfs dat niet meer erg. Dat was het dieptepunt. Niet de chaos, maar de gelatenheid. Het punt waarop je jezelf al half hebt opgegeven.
En ergens daar begreep ik dat ik moest praten. Niet omdat ik er klaar voor was, maar omdat ik het anders niet zou redden.
Praten was rauw en ongemakkelijk. Ik klonk onsamenhangend, kwetsbaar, soms beschamend eerlijk. Maar voor het eerst was het echt. Ik stopte met mezelf verdedigen en begon te zeggen wat er was. Dat ik bang was. Dat ik het niet alleen kon. Dat ik niet wist hoe ik moest leven zonder verdoving. En niets daarvan maakte me zwakker. Het maakte me aanwezig.
Acceptatie kwam niet zacht. Acceptatie was stoppen met vechten tegen de waarheid. Ja, ik heb dit gedaan. Ja, ik heb schade veroorzaakt. Ja, ik heb mezelf verloren. Zonder maar. Zonder excuses. Zonder mezelf kapot te maken met zelfhaat, want die had me al lang genoeg gevangen gehouden. Ik leerde dat verantwoordelijkheid nemen iets anders is dan jezelf straffen. Dat leren pas mogelijk wordt als je durft te blijven kijken.
Ik leer nog steeds. Ik leer wanneer oude patronen zich melden, wanneer ik weer wil zwijgen, wanneer ik alles alleen wil dragen omdat dat vertrouwd voelt. Maar nu praat ik. Ook als mijn stem trilt. Ook als ik bang ben voor oordeel. Ook als het schuurt. Want elke keer dat ik praat, breek ik iets open wat me vroeger gevangen hield.
Ik ga door, maar niet meer zoals toen. Niet door mezelf kapot te maken. Niet door alles te verdoven en te negeren. Ik ga door door stil te staan, door te voelen, door eerlijk te zijn, door te accepteren dat mijn verleden bij me hoort maar mij niet definieert.
Want ik ben niet mijn verleden.
Ik ben degene die bleef lopen toen het zwaar werd.
Die niet meer stil bleef.
Die leerde praten, accepteren en groeien.
En dat is geen mooi afgerond verhaal. Dat is dagelijks werk. Maar het is echt. En dat is genoeg.
Lange tijd behandelde ik mezelf alsof ik grofvuil was. Alsof ik iets was wat te lang in de weg had gestaan, wat kapot was gegaan, wat niemand meer wilde hebben. Ik zette mezelf figuurlijk aan de straat, elke dag opnieuw. Niet in één groot gebaar, maar in duizend kleine keuzes. Door mezelf te verwaarlozen. Door mijn grenzen te negeren. Door te doen alsof het me niet kon schelen wat er met me gebeurde.
Ik sprak tegen mezelf zoals je spreekt tegen iets dat al verloren is. Hard. Onverschillig. Zonder zorg. Ik dreef mezelf door terwijl ik wist dat ik rust nodig had. Ik duwde gevoelens weg alsof ze afval waren dat snel weg moest, want stilstaan betekende voelen en voelen was gevaarlijk. Dus sleepte ik mezelf voort, kapot maar functionerend, en noemde dat kracht. Terwijl het eigenlijk zelfverwaarlozing was met een strak gezicht.
Verslaving paste perfect in dat beeld. Want waarom zou je goed zorgen voor iets waar je geen waarde meer in ziet? Ik gebruikte niet alleen om te verdoven, ik gebruikte om te bevestigen wat ik diep vanbinnen al dacht: dat ik het niet waard was om helder, aanwezig of zorgvuldig behandeld te worden. Elke keer dat ik over mijn eigen grenzen ging, zei ik eigenlijk: jij doet er niet toe.
Het gevaarlijke is: niemand hoeft je dan nog kapot te maken. Dat doe je zelf. Stil. Consequent. Dag na dag, week na week.
Het kantelpunt kwam niet toen ik mezelf ineens leuk vond. Dat kwam veel later. Het kwam toen ik besefte hoe wreed ik tegen mezelf was. Dat ik dingen met mezelf deed die ik nooit met een ander mens zou doen. Dat ik mezelf toesprak op een manier die ik bij niemand zou accepteren.
Herstel begon niet met zelfliefde. Het begon met stoppen met mezelf mishandelen. Met mezelf niet langer aan de straat zetten bij elke fout, elke terugval, elke moeilijke dag. Met leren zeggen: je mag hier zijn. Ook nu. Ook zo. Ook met dit verleden.
Ik ben niet mijn verleden.
Maar ik ben ook niet langer het grofvuil dat ik dacht te zijn.
Ik ben iemand die te lang heeft volgehouden zonder hulp, zonder zachtheid, zonder waarheid. En nu leer ik iets nieuws. Langzaam. Onhandig. Soms tegen mijn eigen overtuigingen in.
Ik leer mezelf behandelen als iemand die nog leeft.
Iemand die mag leren.
Iemand die niet perfect hoeft te zijn om zorg te verdienen.
Ik praat waar ik vroeger zweeg.
Ik blijf staan waar ik mezelf vroeger neergooide.
Ik accepteer dat mijn verleden er is, zonder mezelf er opnieuw voor te straffen.
Ik ben niet mijn verleden.
En ik zet mezelf niet meer aan de straat.
Veel liefs,
Femke 💚